Het Oude Testament
Gods Woord heeft niet alleen het eerste, maar ook het laatste woord. Tot en met Genesis 10 gaat het in de Bijbel over de volken. In Genesis 12 nam God het initiatief tot het sluiten van een eenzijdig Verbond met Abram. Later kreeg hij de toezegging de vader van een menige volken te worden. Het Verbond zal een eeuwig Verbond met Abraham en zijn nakomelingen zijn en God zal hun God zijn. Het land Kanaän zal hun altijddurende bezitting zijn. Het initiatief gaat dus van God uit en heeft zowel een aardse als een hemelse, zowel een materiële als geestelijke inhoud. De geestelijke zegen betekent, dat met Abraham alle geslachten van de aardbodem gezegend zullen worden. Bij de voortschrijdende openbaringen worden steeds nieuwe aspecten duidelijk. Rebecca stond op het punt van twee zonen te bevallen. God zei haar in Genesis 25:23, dat er twee volken in haar schoot waren, waarvan de oudste de jongste zou dienen. Uit de geestelijke en materiële elementen van het Verbond, dat God met Abraham gesloten had, komt hier het aardse element naar voren: Ezau zal Jacob dienen. Uit dit Schriftwoord blijkt niet, dat dit iets met uitverkiezing tot eeuwige zaligheid of verlorenheid te maken had. Ook bij Maleachi 1:2-3 gaat het om een aardse dimensie. Ezau’s bergen zullen verwoest worden en zijn erfdeel zal aan de jakhalzen ten prooi vallen. Ook in Romeinen 9:12 gaat het om het aardse element van het Verbond.
Israëls Roeping
God heeft een plan met Israël. Uit dit volk wordt de Messias geboren “tot een licht der natiën, Opdat, Mijn heil reike tot aan het einde der aarde,”
Dit zegt God in Jesaja 42:6 en ook in Jesaja 49:6. Het volk moest heilig zijn, dat wil zeggen, apart gezet met een doel. God gebruikt Israël tot zegen van alle volken. “De zaligheid is uit de Joden.”
Gods verkiezing van Israël is tot dienstbaarheid. Ondanks alles, en dwars door dit alles heen, ook door de gebeurtenissen van vandaag, komt God met dit volk tot Zijn doel. Op de achtergrond speelt het eeuwige behoud natuurlijk een uiterst belangrijke rol, maar daar gaat het hier niet om, Dit is een heel andere zaak.
Anti-Edomitische Profetieën
Om Zijn plan tot uitvoer te brengen, gaf God de voorkeur aan Jacob als instrument boven Ezau. De geschiedenis van Israël wordt door een lange reeks van tragische gebeurtenissen gekenmerkt. Toen het volk na het lange verblijf in de woestijn het laatste stuk van de woestijnreis maakte, bereikten ze de grens van Edom, de afstammelingen van Ezau. toen ze als broeders om doortocht vroegen, werd die geweigerd. De Israëlieten hadden die doortocht niet zelf bedacht, ze deden het op Gods bevel (Deuteronomium 22:1-8). In het Oude Testament volgt dan een lange rij van anti-Edomitische profetieën.
Obadja (circa 875 voor Chr.)
De profeet Obadja sprak in een enkel hoofdstuk een profetie over Edom uit. “Vanwege de overmoed van zijn hart zal hij klein en diep veracht gemaakt worden. Wegens de gewelddaad aan Jacob zal schande u bedekken en gij zult voor altoos uitgeroeid worden. Hij heeft zich vrolijk gemaakt over de kinderen van Juda op de dag van hun ondergang.”
Obadja profeteerde honderden jaren van tevoren: “Want nabij is de dag des Heren over alle volken, zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden, uw daad zal op uw eigen hoofd terugvallen… Van het huis van Ezau zal niemand ontkomen, want de Here heeft het gesproken.” Obadja 1:1-18.
Joël (800 voor Chr.)
De profeet Joël zei:
“Edom (zal) tot een woeste wildernis (worden), vanwege het geweld de kinderen van Juda aangedaan, in wier land zij onschuldig bloed hebben vergoten. Maar Juda zal blijven tot in eeuwigheid.”
Joël 3:19
[Edom is Ezau; Juda is een stam van Jacob]
Amos (circa 790 voor Chr.)
De profeet Amos somde Gods verwijten aan Edom op:
- Hij vervolgt zijn broeder met het zwaard;
- Hij heeft het medelijden verstikt;
- Hij koestert rancune;
- Hij is woedend op Israël, Amos 1:11vv.
Jesaja (circa 790 voor Chr.)
De profeet Jesaja meldde Gods gericht over Edom:
“De Here houdt een dag van wraak, een jaar van vergelding in Sions rechtsgeding. Edom wordt door zwaard en banvloek getroffen. Edom wordt een voorwerp van ontzetting.”
Jesaja 34:8, 15, 17
In een volgend hoofdstuk gaat het over het wraakgericht des Heren. Edom vindt van zichzelf, dat het in gerechtigheid spreekt en beschouwt zich machtig om te verlossen. Van de volken over wie het gericht komt, wordt Edom als eerste en met name genoemd. “En Ik,” zegt God, “vertrapte volken in Mijn toorn, maakte hen dronken in mijn grimmigheid en deed het bloed ter aarde stromen.” Jesaja 63:1-6
Jeremia (circa 640 voor Chr.)
De profeet Jeremia vervolgde over Edom:
“God schilt Ezau af, verdelgd wordt zijn zaad, zijn nakomelingschap Bozra wordt een voorwerp van ontzetting. Dit vanwege de overmoed van hun hart. Zoals Sodom en Gomorra met hun naburen onderstboven gekeerd werden, zegt de Here, zal daar niemand wonen en geen mensenkind daar verblijf houden.”
Jeremia 34:7-22
Ezechiël (circa 640 voor Chr.)
De profeet Ezechiël profeteerde: “Omdat,”
zegt God, “gij een eeuwige vijandschap hebt gekoesterd en gij de Israëlieten hebt overgeleverd aan het geweld van het zwaard ten tijde van hun rampspoed, ten tijde van de afrekening, daarom, zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, tot bloed zal Ik u maken en bloed zal u vervolgen; daar gij het vergieten van bloed niet hebt geschuwd, zal u bloed vervolgen (…) Zo zegt de Here Here: Tot vreugde van de ganse aarde zal Ik van u een woestenij maken, zoals gij u verheugt omdat het erfdeel van het huis Israëls verwoest is, zo zal Ik aan u doen; een woestenij zult gij worden, gij gebergte Seïr, ja Edom geheel en al. En men zal weten, dat Ik de Here ben.”
Ezechiël 35:5-6, 12-15
Daniël (circa 534 voor Chr.)
De profeet Daniël profeteerde:
“Ook het Sieraadland zal hij binnenvallen, en velen zullen struikelen; maar aan zijn macht zullen ontkomen: Edom, Moab en de keur der Ammonieten. En hij zal zijn hand uitstrekken tegen de landen, en het land Egypte zal niet ontkomen,”
Daniël 11:41-42
Maleachi (circa 444 voor Chr.)
De profeet Maleachi sloot de rij van de Oudtestamentische profetieën over Edom. De Statenvertaling schrijft: Nochtans heb Ik Jacob liefgehad, (אָהַב ) en Ezau heb Ik gehaat. (שׂנֵא) Maleachi 1:2-3 Het “nochtans” wil zoveel zeggen als “ondanks.” Ondanks alles heeft God de voorkeur aan Jacob gegeven en Ezau gehaat. Niettemin spreekt God bij monde van Maleachi tot Israël :
“Van de dagen uwer vaderen af zijt gij afgeweken van mijn inzettingen en hebt ze niet onderhouden. Keert terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren, zegt de HERE der heerscharen. (…) Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de HERE der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. (…) En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de HERE der heerscharen.”
Maleachie 3:7-12
Honderden jaren lang gaat het in al deze profetieën gaat het over Gods plan met Israël om te dienen als een licht voor de volken en over Ezau, die voor deze roeping tot dienstbaarheid niet in aanmerking kwam. Dit is wat met de uitverkiezing bedoeld wordt. Met Israël is het tot nu toe, vallen en opstaan, maar.
“Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat.”
Romeinen 11:25
Eeuwig Behoud
Wat voor Abraham gold, geldt ook voor Jacob en Ezau als hoofden van de volken, die uit hen voortkwamen. “Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.”
Habakuk 2:4; Romeinen 1:17 Niet elke Jood is behouden, omdat hij een lijfelijke afstammeling van Abraham is. Niet elke Edomiet is verloren, omdat hij een lijfelijke afstammeling van Ezau is. Dit zou zo zijn, als Gods Woord aan Rebecca betekende, dat Jacobs uitverkiezing tot eeuwig behoud was. Maar dat zegt de tekst niet.

