Genezing

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.”

Jacobus 5:14-15

Schriftlezing

“Welaan dan, gij rijken, weent en maakt misbaar over de rampen, die u zullen overkomen. Uw rijkdom is verrot, uw klederen zijn door de mot aangevreten, uw goud en zilver is verroest, en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn. Zie, het loon, dat door u is ingehouden van de arbeiders, die uw landen hebben gemaaid, schreeuwt, en het geroep van hen, die uw oogst hebben binnengehaald, is doorgedrongen tot de oren van de Here Sebaot. Gij hebt op aarde weelderig geleefd en u te goed gedaan, gij hebt uw hart vetgemest in de slachttijd. Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord; er is geen verweer tegen u. Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij.  Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur. Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken. Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming. Maar vooral, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch welke andere eed ook. Laat ja bij u ja zijn en neen neen, opdat gij niet onder het oordeel valt. Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen.  Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:1-16

Boodschap

Genezing. Dit is een zeer actueel onderwerp. Elk jaar betalen we hogere premies. Ziekenhuizen hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Genezing. Ieder mens wil gezond zijn of weer worden. Ook Gods Woord spreek erover. En dat kost geen geld. Voor wie was deze boodschap bestemd? Uit deze brief blijkt, dat het geschreven werd aan Messiasbelijdende Joden. We kunnen maar een klein gedeelte van deze brief bespreken.

“Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.  En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.”

Jacobus 5:14-15

De tekst heeft hier twee delen. Er zijn veel vormen van lijden. De totale mens bestaat uit geest, ziel en lichaam. Ook gelovigen kunnen problemen hebben. Het gaat hier om iemand, Jood of heiden, die de Messias belijdt. Iemand bij wie de Here Jezus centraal in zijn leven staat. In zo’n situatie mag hij/zij de oudsten van de Gemeente roepen om voor hem te bidden en hem of haar in de naam des Heren te zalven. De belofte is, dat de zieke opgericht zal worden. Dat is iets anders dan rechtop in bed zitten. In de grondtekst staat: gered zal worden. Gered van wat? Dat kan lichamelijk, psychisch of pneumatisch, of te wel geestelijk, zijn. Jacobus was een Jood met Hebreeuws denken. In dat denken gaat niet maar om de lichamelijke problemen, waar onze tijd zo zwaar de nadruk oplegt. Het gaat om de totale mens. Dat wil zeggen geest, ziel en lichaam. Gods Woord leert, dat geest en ziel niet hetzelfde zijn.

“En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.”

1 Thessalonisenzen 5:23

en het volgende gedeelte:

“Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest,”

Hebreeën 4:12

Genezing is niet los verkrijgbaar. Waarom zou iemand, die niet in de Here Jezus gelooft bij Hem genezing zoeken? De gelovige zieke kent de oudsten, en zij kennen hem. Het gesprek vindt plaats in de woning van de hulpzoekende. Waarom daar? Daar moet de vraag gesteld worden of er mogelijk sprake van zonde is. Dat moet niet in een massabijeenkomst op een podium. Het gaat hier om zaken, waar niemand wat mee te maken heeft. In een volgende overdenking hoop ik daar op terug te komen. Dit gesprek, het gebed en de zalving met olie behoort plaats te vinden in de intieme kring, waar geheimhouding verzekerd is. Ook de oudsten zijn daar aan gebonden. Het gaat om geestelijk rijpe broeders. Hun relatie met de Heer van de Gemeente moet ook zuiver zijn. Bij allen, die bij deze gebeurtenis betrokken zijn mag er geen sprake van bewuste en onbeleden zonde zijn, die gebedsverhoring in de weg staat. Als dingen uitlekken en rondzingen, is dat funest voor pastorale zorg. Het is ook geen magisch gebeuren. De handelingen worden verricht en dan moet het gebeuren Zo werkt het niet. En al helemaal niet, waar geen genezing plaatsvindt, de hulpzoekende er de schuld van krijgt, omdat hij/zij niet gelooft. Het gaat om het welzijn van de hulpzoekende. Het gaat om tijdelijk of eeuwig welzijn. Het probleem kan lichamelijk of gevoelsmatig zijn, of de combinatie ervan, wat psychosomatisch genoemd wordt. Het kan ook puur geestelijk zijn. Gods Woord is duidelijk. In kinderlijk eenvoudig geloof mogen we die weg gaan. Daarbij blijft het altijd: Uw wil geschiede, ook al begrijpen we het niet. Ik kom er een volgend keer op terug.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Beklagenswaardig?

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.”

1 Korinthiërs 15:19

Schriftlezing

“Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn.

(…)

Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben.”

Korinthiërs 15:1-3, 12-24

Boodschap

Er is een rangorde in de Opstanding. Eerst die, dan die. Het is belangrijk voor ieder mens om te weten, bij welke Opstanding hij hoort. Dat moeten we ook aan anderen kunnen uitleggen. In één tekst geeft de apostel Johannes het slechte en het goede nieuws. We beginnen met het goede nieuws:

“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”

Johannes 3:36

Wie het eeuwige leven heeft ziet uit naar de vervulling van de profetie:

“Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.”

1 Thessalonisenzen 4:15-18

Dat kan nu zo maar gebeuren. Dat is de eerste Opstanding. De apostel Paulus schreef:

“Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden,”

1 Korinthiërs 15:51

Samen vormen die twee groepen de Gemeente van Christus. Die wordt in zijn geheel opgenomen. Dan volgt de Grote Verdrukking, die 7 jaar duurt. Voor de Gemeente heeft de Here Jezus gezegd:

“Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen.”

Openbaring 3:10

Behalve voor de gehele wereld, betekent de Grote Verdrukking om Israël voor te bereiden op de komst van de Messias. In die Verdrukking zullen grote aantallen Joden tot geloof komen, door hun getuigenis zullen ook vele niet-Joden tot geloof komen. Daarna komt de Heer met de Gemeente om het Duizendjarig Rijk op aarde te vestigen. De bruidegom is de Heer; de Gemeente is de Bruid. In de gelijkenis gaan de tien maagden op weg naar het Bruiloftsfeest. Mattheüs 25:1 Maar waar is de Bruid? Die wordt niet genoemd. Hoe komt dat? Soms worden de tien maagden als de Bruid voorgesteld. Vijf zijn er wijs en vijf dwaas. Maar de Bruid kan niet half wijs en half dwaas zijn. Waar is de Bruid? Bij de Bruidegom! Maar dat staat er niet. Nee, hier niet. De Bruidegom gaat geen feest vieren zonder de Bruid. Wat is er aan de hand? Er zijn manuscripten, waar de Bruid er wel bij staat. Kent u het laatste boek van het Oude Testament? Het Boek Maleachi. Maar de Bijbel kent geen Oud en Nieuw Testament. De Bijbel spreekt over Oud en Nieuw Verbond. De Evangeliën behoren inhoudelijk voor 95% tot het Oude Verbond.

Als dat juist is, richt het Evangelie van Mattheüs zich tot hen, die behoren tot het Oude Verbond, het volk Israël. Het Oude Testament eindigt wel met het boek Maleachi, maar het Oude Verbond eindigt met de kruiswoorden van de Here Jezus, bijna op het einde van het Evangelie van Johannes 19:30 met:

“Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht!”

Johannes 19:30

Dat was de voltooiing van Gods belofte:

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.”

Genesis 3:15

Dit gebeurde op Golgotha waar de kop van de slang, dat is Satan, de vijand van God en mens, werd vermorzeld. Dit is de afsluiting van het Oude Verbond. Er komt een Nieuw Verbond met Israël. Daar gaat de profetie van Jeremia in vervulling:

“Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Jeremia 31:33

Dat is Israël. Gelovigen, die van oorsprong niet tot Israël behoren, mogen er ook bij zijn. In eerste instantie was de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag een Joods gebeuren. Maar, God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, dus ook de niet-Joden, niet verloren gaat, maar eeuwig leven zou hebben. Johannes 3:15

Ook zij konden de Heilige Geest ontvangen. De Romeinse officier, Cornelius, in Bijbelse termen een heiden, geloofde in God en vereerde Hem. Op zekere dag nodigde hij Petrus bij zich thuis om het Evangelie uit te leggen.

“Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren meegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort,”

Handelingen 10:44-45

Het heil is bedoeld voor alle mensen, voor Joden en niet-Joden. Tijdens de Grote Verdrukking, de over de hele wereld komen zal, bestaat de mogelijkheid, dat zonder onderscheid mensen behouden kunnen worden:

“En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden.”

Handelingen 2:21

Dat geldt voor Joden en niet-Joden. In hoofdstuk 25 van het Evangelie van Mattheüs staat de gelijkenis van de tien maagden, die op weg gaan naar de Bruiloft. Met deze maagden wordt het volk Israël bedoeld. Vijf van haar hebben olie in haar lampen, dat wil zeggen, zij hebben de Heilige Geest ontvangen. De andere vijf hebben die niet. Uit de profetie weten we, dat de Here Jezus straks als de Bruidegom met Zijn Bruid, de Gemeente komt. Die Gemeente bestaat uit Joden en niet-Joden, die in God geloven. Wie de Heilige Geest hebben mogen deelnemen aan het bruiloftsfeest. Zij hebben ingang tot het Koninkrijk Gods. Mattheüs sprak dit met het oog op zijn eigen volk Israël. Maar het geldt ook voor hen, die niet tot Israël behoren. Als gelovigen van niet-Joodse oorsprong,  mogen wij er ook deel van uit maken. Vergeet niet wat de apostel schreef:

“Want het heil is uit de Joden.”

Johannes 4:22

Het gaat uiteindelijk om toegelaten te worden tot de Bruiloftszaal, dat wil zeggen, deel hebben aan het Duizendjarig Rijk. Het dagelijks leven vraagt veel, heel veel van onze aandacht en energie. Maar het gaat uiteindelijk om iets meer dan alleen om dit leven.

“Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.”

1 Korinthiërs 15:19

Er is meer, veel meer.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Verterend Vuur

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Want onze God is een verterend vuur.”

Hebreeën 12:29

Schriftlezing

“Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien. Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden. Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau, die voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht. Want gij weet, dat hij later, toen hij (toch) de zegen wilde erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel hij het onder tranen zocht. Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zij verzochten, dat niet verder tot hen gesproken werd; want zij konden dit bevel niet dragen: Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd. En zó ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zei: Ik ben enkel vreze en beving. Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt). Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur.”

Hebreeën 12:14-29

Boodschap

Regelmatig hoor ik om me heen: God is liefde. En dat is ook zo. Dat staat muurvast. Maar er staat nog meer muurvast. Over de engelen, de Serafs, lezen wij bij de profeet Jesaja:

“En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol.”

Jesaja 6:3

Dat ligt al wat moeilijker. Wat moeten ons daarbij voorstellen? Van meerdere profeten en ook van de apostel Johannes lezen we, dat waar God hen ontmoet, ze door grote vrees worden aangegrepen en niet kunnen blijven staan. Maar het wordt nog moeilijker als we lezen:

“Want onze God is een verterend vuur.”

Hebreeën 12:29

Dat staat toch ook in de Bijbel. Daar lezen we te makkelijk overheen. God is liefde, God is heilig, God is een verterend vuur. Dat krijgen wij als slimme mensen niet op een rijtje. Dat is ook niet te begrijpen. Maar wat kunnen we wel begrijpen? Als God in Zijn Woord tot ons spreekt, heeft Hij ons iets te zeggen. God spreekt geen geheimtaal. Hij heeft ons de taal gegeven om ons te kunnen zeggen, wat Zijn wil, Zijn bedoeling is. Wat zegt God dan? Door de 10 plagen openbaarde God zich aan de Farao van Egypte. Israël had een indruk van God gekregen. De gebeurtenissen spraken voor zichzelf. Israël begreep, God is machtig en doet grote wonderen. Was dat Godsbeeld juist? Ja, maar niet compleet. Daarna openbaarde God zich, dat Hij niet alleen machtig, almachtig, maar ook heilig is. Op de Sinaï gaf God de 10 geboden. Dat was om nooit te vergeten, wat daarbij kwam kijken.

“En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef van verre staan. En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, dan zullen wij horen; maar God spreke niet met ons, opdat wij niet sterven. Maar Mozes zei tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen, en opdat er vrees voor Hem over u kome, dat gij niet zondigt.”

Exodus 20:18-20

Zo kenden ze God eigenlijk niet. Was dit de God met het dreigende vingertje? Hun Godsbeeld was scheef. Waarom deed God het zo? Dat hebben net gelezen : “opdat er vrees voor Hem over u kome, dat gij niet zondigt.” Het betekent niet angst, maar diep respect, grote eerbied. Wat is ons Godsbeeld? God is liefde, en dan? Is dat alles? Israël had weer een les geleerd. Maar hadden ze dé les geleerd? Toen Mozes later 40 dagen op de berg was, duurde het voor Israël allemaal te lang. Ze namen het heft in eigen hand. God dienen, ja natuurlijk. Maar dat doen we zoals wij denken, dat het moet. Eigentijds, zoals Israël het om zich heen zag. Zoals wij het ook maar al te vaak om ons heen zien. Dat is het verhaal van het Gouden Kalf. Het Kalf, afbeelding van jeugdige kracht, van vruchtbaarheid wat in de godsdienst van die tijd heel belangrijk was. De ramp van Israël was, dat ze van God een karikatuur maakten. Welke heiligheid straalt een jonge stier uit? Ze waren het alweer vergeten:

“De verschijning van de heerlijkheid des Heren was als verterend vuur op de top van de berg ten aanschouwen van de Israëlieten.”

Exodus 24:17

God is liefde, ja! God is heilig, ja! God is ook een verterend vuur, ja! Het een niet meer of minder dan het ander. Gods vuur openbaart zich soms ook als oordeel. Wat gebeurde er kort na Pinksteren in de bruisende jonge Gemeente van Jeruzalem? Wonderen en tekenen. Toen kwam er vervolging van buitenaf. Maar het ergste zat in de Gemeente zelf. Ananias en Saffira deden aan creatief boekhouden. God doet wonderen, ja. God is liefde, ja, God is ook heilig. Toen sloeg de vlam in de pan, midden in de Gemeente met iedereen erbij. Ze hebben zich gebrand, zijn verbrand door het vuur van Gods heiligheid. Het is als met een mug, die om de brandende kaars heen cirkelt. Het licht en de warmte trekken hem. Hij komt steeds dichterbij. Dan ineens hoor je iets knisperen en de mug is verbrand. Wat is er mis met de kaars? Niets. Wat is er mis met de mug, ook niets, maar hij moet niet onbeschermd bij het vuur komen.

Zo kunnen wij ook niet tot de God van Israël, tot de Vader van onze Here Christus naderen, als we niet onder de bedekking van Zijn bloed zijn. Alleen door het verzoenend bloed van de Heiland hebben wij toegang tot Gods Troon. Alleen door Gods Zoon, door Zijn leven te geven zodat de relatie tussen God en mens hersteld kon worden. De mens, die het niet gelooft, of het niet nauw neemt met Gods heiligheid, is in acuut gevaar. Zij, die er wel mee rekenen en er naar handelen, zijn apart gezet. Dat wil zeggen, ze zijn geheiligd. Onder de prediking van het evangelie, dat de mensen tot bekering moesten komen, waren Ananias en Saffira tot geloof gekomen. Ze hadden de Heilige Geest ontvangen en werden gerechtvaardigd. Dan volgt voor iedere gelovige het proces van de heiligmaking. Door de Heilige Geest te bedriegen, hebben ze een fatale kortsluiting gemaakt. Gods heiligheid werd geschonden en God greep in. Dit is ons tot voorbeeld gesteld. Wie gerechtvaardigd werd heeft, zoals de apostel Paulus het uitdrukte, zijn verdere leven nodig om “uw behoudenis (te) bewerken met vreze en beven,” Filippenzen 2:12. Wie die weg gaat, wordt niet door Gods heiligheid verteert. Is hij dan beter als een ander? Nee, “Maar gij geheel anders gij hebt Christus leren kennen.” Efeziërs 4:20 Mensen, die op die manier geheel anders zijn, doen niet aan creatieve boekhouding. De God met het vingertje, de God van de power, de god van de softe liefde, is niet de God van de Bijbel. Dat is het Gouden Kalf, een karikatuur van God. Het Godsbeeld, dat wij uit Zijn Woord ontvangen, is geen schrikbeeld. Ondanks alles mogen wij toch tot die God naderen. U moet niet vragen wat het Hem gekost heeft. Hij gaf Zijn Zoon en wist wat mensen met Hem zouden doen. Wie dat begrijpt, kan pas echt zeggen: God is liefde, God is heilig, God is ook een verterend vuur. Die God is onze God.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Vrees

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:43

Schriftlezing

“Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden.”

Handelingen 2:37-47

Boodschap

Toen ze dit hoorden… In zijn Pinksterboodschap kraakte de apostel Petrus harde noten. Hij hield zijn toehoorders voor, dat ze eraan hebben meegewerkt dat Jezus “door de handen van wetteloze mensen aan het kruis (werd) genageld en gedood.” Handelingen 2:23. Ze gingen in op Petrus’ oproep “om zich uit dit verkeerde geslacht te laten behouden.” Dat wil zeggen, ze aanvaardden de boodschap om met hun oude manier van denken te breken. Dat werd zichtbaar toen ze zich lieten dopen. Dopen is de vertaling van het Griekse baptizein, dat in het Grieks nooit iets anders dan onderdompelen betekent. Het is het afdalen in het watergraf en daarin ondergaan. Het is de begrafenis van het oude leven. Daarbij wordt de Naam van God de Vader, van God de Zoon en God de Heilige Geest aangeroepen. Tegelijk wordt door het opstaan uit het water de latere Opstanding uit de dood uitgebeeld. Het betekent het grote allesbeslissende keerpunt in het leven van een mens. Het verleden ligt achter de dopeling, de toekomst ligt voor hem. Dit is het gevolg van de aanvaarding van Gods Woord en de overtuiging van de Heilige Geest. Het gaat niet om een traditie. De aanvaarding van Gods Woord, de overtuiging van Gods Geest, de wedergeboorte en de doop zijn onvergetelijke doorleefde werkelijkheden. We hadden het over de Pinksterdag. Gelukkig is daar is een vervolg op. Gods Geest was zo krachtig en merkbaar aanwezig, dat 3000 mensen dat Woord aanvaardden en zich lieten dopen. Waar God Woord eerst niet begrepen of afgewezen werd, gaan deze gelovigen volharden in het onderwijs van de apostelen. Er ontstond ook een nieuwe gemeenschap. Ze herdachten regelmatig de dood van de Here Jezus, waardoor zij behouden konden worden. Wat vaak vergeten wordt of niet goed tot zijn recht komt, ze bleven volharden in de gebeden. Net als de discipelen deden na de Hemelvaart, ruimden ze tijd in voor gebed. Als we dit alles de revue hebben laten passeren volgt er nog iets. En dat is niet het minste:

“En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:43

De gelovigen joegen de mensen geen schrik aan. Integendeel: de mensen stonden met verbazing te kijken naar wat er allemaal gebeurde. Allemaal dingen, die in onze dagelijkse beleving gewoon niet kunnen. Maar het gebeurde wel. Het is geen sprookje, er waren teveel ooggetuigen om iets te verzinnen. Ze zagen het voor hun ogen gebeuren. De Bijbel beschrijft niet welke wonderen en tekenen er dan allemaal plaatsvonden. Maar niemand kon er omheen, dat God op een bijzondere manier liet zien, dat HIJ er was. Het gevolg daarvan was, dat er vrees over alle mensen kwam. Wat is dit? Wat moeten we hier mee? Wie doet dit? Vrees, wat moet ik me daarbij voorstellen? Elk mens heeft op de een of andere manier wel eens met vrees te maken. Als we de zaak niet meer zelf in de hand kunnen houden, worden we bang. Gezien tegen de achtergrond van Handelingen 2 gebeuren hier geweldige dingen.

Petrus spreekt tot zijn eigen volk. Hij beschuldigt hen openlijk van de moord op de Messias, die God gezonden had voor Zijn volk. Ze hadden Hem niet begrepen, maar verworpen. De ene week riepen ze: gezegend is Hij, die komt in de Naam des Heren, een week later riepen ze in koor: kruist Hem. Door de harde confrontatie met de waarheid, schrokken de toehoorders zich onderstboven. Wat zei Petrus?

“Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt. Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?”

Handelingen 2:36-37

Het antwoord is kort en duidelijk:

“Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen.”

Handelingen 2:38

De zaak is ernstig, maar niet hopeloos. Vele toehoorders gingen in op de oproep zich hiervan te bekeren. Bekeren is, omdraaien en de andere kant, de goede kant, uitgaan. Dat was maar niet alleen voor de toehoorders van Petrus. Dat geldt ook voor ieder, die vandaag Gods Woord hoort. Hoe hebben wij het eraf gebracht met Jezus? Hebben wij Hem erkend of vinden we, dat we Hem niet nodig hebben? Petrus sprak tot Gods uitverkoren volk. Wat een beschuldiging. Het waren toch geen ongelovigen! Nee, dat niet maar wel deden ze wat goed was in eigen ogen. Is het met veel mensen, die zich Christen noemen, niet hetzelfde? Ieder doet zijn eigen ding. Maar dit is de verkeerde weg. Door de overtuigende inwerking van de Heilige Geest, dat het waar was wat Petrus zei, hebben vele toehoorders zich bekeerd. Als gevolg van de gebeurtenissen op de Pinksterdag, kwam er vrees over alle ziel. De mensen werden regelrecht geconfronteerd met Gods aanwezigheid. Ze wisten meteen, dat ze zich voor hun daden moesten verantwoorden. Dat gold voor toen, het geldt voor nu. Dit is een harde boodschap. Velen willen die niet horen. Voor het Pinksterfeest waren er misschien wel een miljoen mensen in de stad. We zijn ervan onder de indruk, dat er door één preek 3000 mensen tot geloof komen. Maar dit aantal valt weg tegen de honderdduizenden, die in de stad waren. Op die dag was het voor duizenden een heilzame schrik. Later groeide de Gemeente uit tot 10.000 en dan houdt de telling op. Sinds die dag is het voor miljoenen een heilzame schrik geweest en nog. God draait er geen doekjes om. Hij zegt waar het op staat en dat is voor ons bestwil. Als je bij de dokter een nare boodschap krijgt, wordt je niet boos op de dokter. Hij heeft het beste met je voor. Je vraagt jezelf af of er een oplossing is. En die zal de dokter ook geven. Het is een voorrecht, als Gods Woord ons overtuigt van de noodzaak van omkering, van bekering en Zijn Geest die overtuiging in ons hart legt. Er kan en mag een punt gezet worden op de levensweg. Er mag een verleden zijn en een nieuw begin. Het allesbeslissende keerpunt. Als u dat nog niet gekend hebt, wens ik het u toe. Die heilzame schrik. Waarom? De apostel Paulus schreef aan de Gemeente:

“Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.”

1 Corinthiërs 15:19

Wie geen hoop heeft voor de eeuwigheid, staat met lege handen. En dat wens ik u niet toe, echt niet.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Herdenken

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.”

Psalm 77:12

Schriftlezing

“Een psalm van Asaf. Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, opdat Hij zijn oor tot mij neige. Ten dage mijner benauwdheid zoek ik de Here, des nachts is mijn hand uitgestrekt en zij wordt niet moede, mijn ziel weigert zich te laten troosten. Denk ik aan God, dan kreun ik; peins ik, dan versmacht mijn geest. Sela. Gij houdt mijn ogen open, ik ben onrustig en kan niet spreken. Ik overdenk de dagen van ouds, de jaren van weleer; ik denk in de nacht aan mijn snarenspel, ik peins in mijn hart en mijn geest vorst na. Zal de Here dan voor altoos verstoten, en niet meer goedgunstig zijn? Neemt zijn goedertierenheid voor immer een einde, houdt de belofte op van geslacht tot geslacht? Vergeet God genadig te zijn, of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe? Sela. Daarom zeg ik: Dit krenkt mij, dat de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEREN gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God? “Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God?”

Lucas 24:13-35

Boodschap

Gedenken, dat is herdenken. Wat is er gebeurd? Afgelopen week hebben we hen, die vielen, herdacht. Wie waren zij? Vaak onbekend, ook wat ze in stilte deden. Daar werd niet over gesproken. Ze vonden zichzelf niet geweldig, maar het was ook gevaarlijk. Het gevaar lag op de loer. Ze waren vaak onbekend, vaak vergeten. Ze hebben geleden, gebeden, gestreden. Waarom deden ze dat? Voor de vrijheid. Om bevrijding van ons land. Wat hadden zij eraan? Ze hebben de hoogste prijs betaald, maar hebben niet in die vrijheid gedeeld. Wij zijn nu al meer dan 64 jaar vrij. Vrijheid begrijpen we pas als we weten, wat onderdrukking is. Dat kun je niet navertellen, de emotie van de bevrijding, de beleving van die ontlading, kun je niet overdragen. Voor wie het niet beleefd heeft, blijft het een verhaal. De oorlog en de bevrijding speelden zich af in de tijd. Daarover zijn vele dikke boeken geschreven. Na de oorlog zijn er al twee volle generaties opgegroeid. Een derde generatie komt er al aan. Ze hebben de angst, het gevaar, niet meegemaakt. Gelukkig! Voor hen is de vrijheid vanzelfsprekend.

Maar vrijheid is nooit vanzelfsprekend. Gods Woord leert ons, dat bevrijding wordt verkregen tegen de hoogste prijs. De geschiedenis bevestigt het keer op keer. Vrijheid wordt alleen verkregen door offer, vaak het hoogste offer: bloed. Als we hen vandaag herdenken, die voor onze vrijheid vielen, moeten we ook verder zien. We moeten heel zuinig zijn op de vrijheid, die zoveel bloed heeft gekost. Maar behalve, dat. Er ligt ook een diepere dimensie in. Er is een andere Onbekende, die geleden, gebeden en gestreden heeft voor onze bevrijding. Ook die bevrijding is realiteit geworden. Niet voor 64 jaar maar voor eeuwig. Bevrijd van de onderdrukking, van de macht van de Overste van deze wereld. Bevrijd, verlost van de macht van de zonde. Voor velen is die Bevrijder vaak een onbekende. Jezus Christus, de Zoon van God. Godzelf schreef daar één dik boek over: de Bijbel. Voor wie gelooft, wat HIJ daarin zegt, heeft Hij de Bevrijding van de macht van de zonde tot stand gebracht. Die macht is door Hem gebroken. Het betekent, dat we niet langer moeten zondigen, maar nog wel kunnen zondigen, en we doen het ook. We herdenken in grote dankbaarheid hen, die voor onze aardse en tijdelijke vrijheid vielen. Zij hebben de hoogste prijs betaald. De diepere dimensie daarvan is, dat Jezus Christus heeft geleden, gebeden en gestreden. HIJ heeft de allerhoogste prijs betaald. HIJ werd gekruisigd, is gestorven en begraven. Met Pasen herdachten wij, dat HIJ is opgestaan uit de doden. Dat is geen losse opmerking. Het grote belang voor ieder mens is, dat de opstanding van de gevallenen en de onze in Zijn Opstanding besloten ligt. Nu zijn er mensen, die niet in de Opstanding uit de dood geloven. Daarover schreef de apostel Paulus aan de Gemeente van Corinthe:

“Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. ”

1 Corinthiërs 15:12-19

Het gaat hier niet om de tijdelijke, maar om de eeuwige bevrijding. Wie gelooft wat Gods Woord daarover zegt, wordt niet alleen tijdens het aardse leven in maar voor eeuwig in de geestelijke vrijheid gezet. Daarom wordt de dood van de Here Jezus regelmatig herdacht. Wordt ook Zijn opstanding herdacht, maar dat helaas veel te weinig. HIJ is opgestaan, en als we Zijn Woord geloven, zullen ook wij eenmaal opstaan. Daarom:

“Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.”

Psalm 77:12

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Het Koninkrijk – Deel 1

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken.”

Kronieken 29:11-12

Schriftlezing

“Daarop zei koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap, en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de Here God. Daarom heb ik, zoveel ik vermocht, gereedgelegd voor het huis van mijn God: goud voor de gouden, zilver voor de zilveren, koper voor de koperen, ijzer voor de ijzeren, hout voor de houten voorwerpen, chrysoprasen en vulstenen, zwarte en kleurige stenen, allerlei edelgesteente en wit marmer in menigte. Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God, van wat ik zelf aan goud en zilver bezit, aan het huis van mijn God, behalve wat ik voor het heiligdom heb gereedgelegd: drieduizend talenten goud, goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de muren der gebouwen te overtrekken; goud voor de gouden en zilver voor de zilveren voorwerpen, en voor alles wat door de handwerkslieden wordt gemaakt. Wie verklaart zich nu bereid, om heden de Here zijn gave te schenken? Toen verklaarden zich daartoe bereid de oversten der families, de oversten van Israëls stammen, de oversten over duizend en honderd en de oversten over het werk van de koning; zij gaven voor de dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend darieken; tienduizend talenten zilver; achttienduizend talenten koper en honderdduizend talenten ijzer. Wie edelstenen bij zich had, gaf die, voor de schat van het huis des Heren, in handen van de Gersoniet Jechiël. Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de Here; ook koning David verheugde zich met grote vreugde. Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zei: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken. Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam. Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand.”

Kronieken 29:1-14

Boodschap

Na Zijn Opstanding sprak de Here Jezus 40 dagen lang met Zijn discipelen over het Koninkrijk Gods. Over het Gods Koninkrijk en koningschap valt veel te zeggen. Het gedeelte, dat we gelezen hebben is nogal moeilijk. Maar het is zeer de moeite waard om de inhoud ervan tot ons te laten doordringen. Wat betekent koninkrijk en koningschap, waar begon dit? Het kan hier alleen schematisch weergegeven worden. In Bijbels licht betekent “Koning” zoveel als soevereiniteit, bezitter van de hoogste macht. Daaraan is ieder mens volkomen gehoorzaamheid verschuldigd. Het gaat niet om democratie. Om dat duidelijk te maken, had God het volk Israël uitgekozen om dit aan de wereld te laten zien:

“Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.”

Deuteronomium 7:6

Aardse koninkrijken zijn er een afspiegeling van. Zo was het in de eeuwenlange geschiedenis van Israël. Israël was bedoeld als voorbeeld voor de natiën. Het volk Israël had niet God uitgekozen om koning over hem te zijn, maar God had Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Wat had God hiermee voor?

“Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.”

Jesaja 60:3

Door middel van het volk Israël wilde God Zich aan de volken bekendmaken. Waarom koos God het volk Israël? Omdat het beter was dan andere volken? Nee, maar omdat Hij het zo wilde. Maar het was met vallen en opstaan. Bij de Uittocht uit Egypte moest Mozes al Gods boodschap aan het volk overbrengen:

“Gij zijt immers een hardnekkig volk.”

Deuteronomium 9:6

In het eerste Bijbelboek Genesis worden al veel koningen genoemd, maar Israël had geen koning. Eindelijk wilde Israël zelf ook een koning hebben.

“De Here zei tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.”

1 Samuel 8:7

God was dus de Koning van Israël, maar daar had het volk kennelijk niet genoeg aan. Op enkele uitzonderingen na blijkt, dat door heel de geschiedenis van Israël heen, het steeds weer misging. En toch komt God tot Zijn doel. Ze dienden God wel, maar meestal op de manier, zoals andere volken hun goden dienden. Ze waren God niet vergeten, maar deden niet wat Hij gezegd had en waartoe zij zich vrijwillig hadden verbonden. Naast God dienden ze andere goden aan wie zelfs mensenoffers gebracht werden. Zo hadden ze een godsdienst uitgezocht, die meer aansloot bij de eisen van de tijd. Hoe doen wij dat vandaag? Misschien hebben we God niet vergeten, maar hebben we er een en ander meer van eigen ontwerp of keus bij, dat meer aansluit bij deze tijd.

In de tijd van koning David was Israël een machtig rijk geworden. Het absolute hoogtepunt van dit koninkrijk zou de bouw van de Tempel worden. Dat zou koning Salomo gaan doen. Hoewel de hele wereld met bewondering, misschien wel met afgunst, naar Israël keek, lag de nadruk niet op de aardse heerlijkheid en macht van de koning. God stond centraal. In zijn gebed zei David:

“Van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11b

Hiermee erkende hij, dat niet hij de hoogste autoriteit was. Hij was onderkoning, en dat zou Salomo ook zijn. Door alle menselijke gebrokenheid heen, komt God tot Zijn doel zowel met Israël als met ons. Israël is een volk, net als alle andere. Er is één verschil: God heeft dat volk uitgekozen om zich aan de wereld bekend te maken. Waarom koos Hij dat volk? Het had elk ander volk kunnen zijn. Dan wordt de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament. In het bekende “Onze Vader- gebed” leerde de Here Jezus Zijn discipelen bidden:

“Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:13

Het gaat niet alleen om het aardse koninkrijk naar Gods model, maar dat correspondeert met het hemels koninkrijk: “Uw wil geschiede in de hemel alsook op de aarde,” leert het Onze Vader. Het gaat om dat ene Koninkrijk Gods zowel op aarde als in de hemel. En zo gaat het gebeuren. Er zijn Bijbelverklaarders, die het komende Koninkrijk niet letterlijk maar geestelijk opvatten. De profeet Daniël profeteerde iets anders. Als de tijd voor de tien koningen van de eindtijd voorbij is, luidt de nog niet vervulde profetie:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar.”

Daniel 2:44-45

Na Zijn Opstanding zal door de uitleg van de Oudtestamentische profetieën aan de discipelen veel voor hen duidelijker zijn geworden. Dat volmaakte aardse Koninkrijk komt er alsnog. Tijdens een latere ledenvergadering in Jeruzalem trok de apostel Paulus de profetische lijn verder door. De Gemeente in Jeruzalem kreeg te horen:

“En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.”

Handelingen 15:15-18

Het is nog niet gebeurd, maar het koningshuis van David zal letterlijk hersteld worden. Dat letterlijke herstel zal volkomen geestelijk zijn, want:

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11

Want:

“Van U is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.”

Mattheüs 6:13

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Onbegrepen

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Thomas zei tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?”

Johannes 14:5

Schriftlezing

“Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3 en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. Thomas zei tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. Filippus zei tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.”

Johannes 14:1-14

Boodschap

Onbegrepen. Hebt u dat soms ook? Dingen, die de Here Jezus heeft gezegd. Dingen die we niet begrijpen. Dingen waar we niets mee kunnen. Wat moet ik daar nu mee? Ik begrijp er niets van. U bent niet de enige, ook niet de eerste. De discipelen van Jezus hoorden uitspraken waarvan ze dachten, wat is dit nu? Misschien hebben ze elkaar veelbetekenend aangekeken. Ja, we geloven wel wat Hij zegt, ja toch? We volgen Hem, maar we begrijpen het dikwijls niet. Net als de discipelen zijn wij ook nog altijd in de leerschool van de Heilige Geest. Thomas zat er mee. Ook Filippus zat met vragen. Misschien zeiden ze wel wat de anderen dachten maar die het niet durfden zeggen. Voor Thomas was er geen twijfel om Jezus te volgen. Toen het rond de Opstanding van Lazarus voor Jezus echt gevaarlijk werd, zei hij zelfs:

“Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.”

Johannes 11:16

Als je niet echt in Jezus gelooft, zeg je zoiets niet. Maar het wil niet zeggen, dat je geen vragen kunt hebben. Toen Jezus sprak over Zijn lijden en sterven, ging het ook hun begrip te boven. En niet van hem alleen. Heengaan? Jezus heengaan? Waar heeft Hij het over? Heengaan, waarheen? Hij kon het niet voor zich houden en zei het ook hardop tegen Jezus.

“Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?”

Johannes 14:5

Als we het niet begrijpen, mogen we tegen Jezus zeggen: Heer ik begrijp hier niets van. Dan krijgen we ook antwoord. Tegen Thomas zei Hij:

“Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.”

Johannes 14:5-7

Ik denk, dat hij het toen nog niet begreep. Uitspraken, die blijven hangen. Die we later pas begrijpen. Maar nu even niet. Na alle schokkende gebeurtenissen zag Thomas het even niet meer zitten. Hoezeer hij ook betrokken was en zelfs tot het uiterste wilde gaan. Hij wilde zelfs zijn leven op het spel zetten. Maar nu was het hem teveel. De arrestatie, de verhoren, de hetze, de mishandelingen en uiteindelijk de kruisiging. Nee, Pasen was er voor hem niet bij. Opstanding? Jezus had het wel gezegd, maar hij kreeg het allemaal niet op een rijtje. Op de Paasavond was hij er niet bij. Jezus kwam daar, maar hij was er niet. Begrijpen we de reactie van Thomas? Ja. De discipelen waren er allemaal, hij niet. Later zeiden ze:

“Wij hebben de Here gezien! Maar hij zei: Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.”

Johannes 20:25

De volgende Zondag was hij er weer bij. En toen gebeurde het:

“Terwijl de deuren gesloten waren, en stond Jezus in hun midden en zei: Vrede zij u! Tegen Thomas zei Hij: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig. Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Here en mijn God!”

Johannes 20:26-28

Geen verwijt. Hij kreeg niet te horen: jij ongelovige Thomas. Ik had het toch gezegd! Thomas, kom hier, zie je ‘t, voel je’t?

“Thomas zei: Mijn Here en mijn God! Jezus zei: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.”

Johannes 20:28, 29

Toen was hij er weer helemaal bij. Het bracht Thomas tot aanbidding. Er zijn veel dingen, die wij niet begrijpen. Wij hebben niet gezien wat Thomas en de andere discipelen gehoord en gezien hebben. Maar we mogen het geloven. De Heer vraagt niet, of we het allemaal wel begrijpen. Hij verwacht van ons, dat wij geloven, wat Hij zegt. Geloven betekent twee dingen: vertrouwen en gehoorzamen. Geloven wat de Heer zegt, en doen wat Hij zegt. Laten we ons maar niet groter voordoen dan we zijn. Laten we maar eerlijk zijn. Wij zitten ook vaak met problemen, met duizend vragen. Dan zien we het ook niet zitten. Waar hou je je dan aan vast? Door de profeet Jesaja, liet God aan Israël weten:

“Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.”

Jesaja 55:8-9

Er is een lied, dat zingt: “Heer, ‘k Vertrouw U, Heer ‘k vertrouw U, wees Gij mijn Gids.” Het kan in het leven gaan over hoogten en door diepten. Als Hij onze Gids is, mogen we weten, dat Hij Zich niet vergist, ook al begrijpen wij het niet. Jan, Marie of hoe heet je? Wees niet ongelovig, maar gelovig.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Aanslag

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart.”

Genesis 6:5-6

Schriftlezing

“Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Here zei: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des Heren. Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God. En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toen zei God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken. Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u. En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden. En gij, neem u van alle voedsel, dat gegeten wordt, en verzamel het bij u, opdat het voor u en voor hen tot spijze zij. En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij.”

Genesis 6:5-22

Boodschap

Deze week staan radio en televisie bol van berichtgeving over een terroristische aanslag in Amsterdam. We dachten tot nog toe, dat het allemaal nogal meegevallen was. Nee dus. Wat het allemaal inhoudt weten we nog niet, maar opwekkend is het bericht niet. En zoals altijd: er is niets nieuws onder de zon. In de eerste hoofdstukken van de Bijbel lezen we al over geweld. In Noachs tijd was de aarde vol van geweld. Mensen hebben van het begin af verkeerde dingen gedaan, maar als het om geweld gaat, wordt bij God de uiterste grens van Zijn geduld overschreden. Gods reactie was: “zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.” Door de zondvloed maakte God een einde aan de anarchie. Sommige wijsneuzen beweren, dat er nooit een zondvloed heeft plaatsgevonden. Ja, plaatselijk misschien maar niet wereldwijd. Voor hen heb ik een vraag.

In de jaren 90 was ik predikant in Franche Comté tegen de Zwitserse grens. De gastvrouw van de Bijbelstudiegroep was lid van de gemeenteraad geweest. Ze vertelde, dat er een nieuwe weg aangelegd moest worden. Het is een bergachtig gebied. Er moesten bulldozers aan te pas komen. Tot ieders verbazing stootten de machines op metersdikke lagen schelpen. Als de zondvloed niet meer was dan een lokale overstroming, kan iemand mij dan uitleggen hoe deze schelpen op 900 km. van de Atlantische Oceaan op 400 meter hoogte terecht zijn gekomen?

Ik geloof eerder mijn Bijbel dan de mening van een wijsneus, die er niet bij geweest is. De wereldwijde zondvloed laat duidelijk zien hoe God geweld veroordeelt en uitbant.

De berichtgeving gonst van dreigingen en aanslagen van geweld. In bussen en treinen, op scholen, in grote winkels. Allerlei overheidsdiensten zijn in touw. Het liep met een sisser af, dit keer wel. Mensen worden in eigen woning overvallen, op straat beroofd. Zo komt het heel dicht bij. Iedereen weet, dat het op andere plaatsen nog veel erger is. Het lijkt met de dag erger te worden. Het is dweilen met de kraan open. En wat zeggen de kerken? Van die kant heerst een oorverdovende stilte. Heeft de kerk van vandaag geen boodschap voor de samenleving? Zou het niet zinvol zijn als er een Herderlijk Schrijven kwam? Met gevaar voor eigen vrijheid en leven lazen predikanten tijdens de oorlog soms namens de hele kerk een Herderlijk Schrijven voor in de gemeente. Waarom zwijgen vandaag al die kerken en gemeenten over de situatie, die ons allen aangaat? Nee, men wil niet terug naar vroeger. Dat alstublieft niet. Dat ruikt naar spruitjes. De samenleving is volwassen geworden. Dat is te merken. Maar toen de mensen zogenaamd nog niet volwassen waren, bestonden deze monsterachtige toestanden niet!

Uit de geschiedenis is bekend, dat in tijden van nood de Overheid het volk opriep tot een dag van gebed. Ja maar, er bestaat nu een scheiding van kerk en staat. Welnu, laat de kerk het dan doen! En als dan niet het hele volk daartoe opgeroepen kan worden, waarom dan de eigen achterban niet? Trouwens, ik dacht dat de kerk een woord voor de wereld had! De protestantse kerken belijden het algemeen priesterschap der gelovigen. De priesterdienst houdt in, dat de priester voor het volk bij God bidt en pleit. Maar dan moet hij of zijn wel eerst recht tegenover God staan. Geen onbeleden zonden. Wanneer is het zover? En als het in kerk of gemeente niet aanslaat, kan de gelovige zich in eigen binnenkamer terugtrekken en bidden. Voor hem en haar is de belofte, dat God het zal vergelden. Hoe en wanneer moeten we aan Hem overlaten. Waar wacht u op? We hebben een verantwoordelijkheid tegenover God en de naaste. We hebben ook de opdracht te bidden voor de Overheid. Doen we dat? Hebt u er ook zo’n moeite mee met wat er in Den Haag wel of niet gedaan wordt? Bij alle dreiging van geweld rolt ook de economische crisis over ons heen. Gevolg van ontembare gierigheid en hebzucht ten koste van wie. Ja, van u en van mij. Wat hebben wij gedaan om die crisis uit te lokken? Daar is geen kruid voor gewassen. De regering zit met de handen in het haar. Voorlopig kot het niet verder dan praten, overleggen en onderhandelen. Het is complex, het heeft tijd nodig. Ik stond erbij en kijk ernaar. Kunnen we als gelovigen dan helemaal niets? De apostel Paulus schreef aan Timotheüs:

“Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen.”

1 Timotheüs 2:1-4

En dat waren gezagsdragers, die de mensen niet zelf hadden gekozen. De Romeinse bezetters, vijanden. Als we vragen wat Gods wil is, dan is hier het antwoord. Maar hoe kan God gebeden verhoren, die niet gebeden worden? We weten maar al te goed, dat wij op eigen houtje de situatie niet kunnen veranderen. Wachten op de volgende verkiezingen en dan…? Dan krijgen we meer van hetzelfde. De Bijbel leert, dat het anders kan; dan moet het ook anders. Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest in antwoord op gebed. Niet met bravour, niet met een houding van, “dat zullen wij eens even doen.” Het kan alleen in eigen machteloosheid, in alle eenvoud. Begint u er anders alstublieft niet aan. Aan Christus is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Ook over de noodsituatie van velen. Het enige wat gelovigen nu kunnen, mogen en moeten doen, is bidden. Zo kan oordeel over geweld afgewend worden. Zo als het nu is kan het niet blijven. Noach heeft de mensen 120 jaar lang gewaarschuwd, maar het hielp allemaal niet. Zou hij het alleen beter weten dan wij met zijn allen? De mensen geloofden het gewoon niet, totdat het gebeurde. Maar het houdt een keer op. Op een bepaald moment zet God er een punt achter. Zijn we vergeten wat Gods Woord ons voorhoudt?

“Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.”

2 Kronieken 7:13-14

Maar kerk en gemeente moeten op de knieën. Als die het niet doen, laten we dan de binnenkamer ingaan. Niemand kan ons tegenhouden als wij vragen, dat er onder de mensen een besef van Gods aanwezigheid en van Zijn heiligheid komt. Dat moet in Gods huis beginnen. We moeten beginnen in eigen leven, in eigen kerk en gemeente, schoon schip te maken. Dan geeft Gods Woord de belofte, waar we Hem aan mogen houden:

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Laten we maar beginnen!

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Gebed

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Mattheüs 6:6

Schriftlezing

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden. Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.”

Mattheüs 7:7-12

Boodschap

Deze keer is de Schriftlezing kort. Maar er valt veel om over na te denken. Het gaat over het gebed. Er valt heel wat te zeggen over het gebed. Bidden is niet een gebed opzeggen. Als we: “Here zegen deze spijze, amen” of alleen maar het Onze Vader, gebeden hebben, is daarmee niet alles gezegd. Gebed houdt heel wat meer in. Het is het persoonlijk contact met God de Vader door onze Here Jezus Christus. Alleen door Hem hebben we toegang tot de Vader. We mogen dan ook bidden in Zijn Naam. Het betekent eigenlijk, dat we op gezag van Zijn Naam bij de Vader mogen aankloppen. Bidden is de intieme, de vertrouwelijke relatie met God. Het thema is dan ook, “ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene.” Wat daar door de bidder tegen God gezegd wordt, of aan Hem gevraagd wordt, heeft niemand mee te maken. Dat is strikt vertrouwelijk. Maar wij zijn gezelschapsmensen. We houden er niet van alleen te zijn. We houden niet zo van de stilte. We willen ook niet ongezellig zijn. Nu hoeft dat natuurlijk ook niet, maar hoe komt het over als je zou zeggen, ik wil bidden, ik ga even weg? Het kost moeite, we moeten er wat voor opofferen om dat te doen. Maar zegt de tekst, “uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” Het staat er zo opvallend: “ga in de binnenkamer en doe de deur dicht.”

Voordeel is, dat we dan niet afgeleid worden. Maar je bent ook vrij om alles te zeggen wat je op je hart hebt. Ook het voorbeeld van de Here Jezus leert ons iets:

“En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.”

Mattheüs 14:23

Misschien staan we er niet bij stil. Maar in welke houding bidden we? Er zijn meerdere teksten in het Oude en in het Nieuwe Testament, die er iets over zeggen. Ik noem er twee.

“Treedt toe, laten wij ons nederwerpen en ons buigen, knielen voor de Here, onze Maker; want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat Hij weidt, de schapen zijner hand. Och, of gij heden naar zijn stem hoordet!”

Psalm 95:6-7

De Psalmdichter geeft niet alleen aan, dat we behoren te knielen, maar hij zegt ook waarom: God is onze Maker, Hij is onze God. Ook het Nieuwe Testament geeft voorbeelden. De apostel Paulus schreef:

“Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt.”

Efeziërs 3:14-15

Ik ken een Gemeente waar de ouderlingen op de knieën gaan voordat de dienst begint en die aan God opdragen. Na de dienst knielen ze weer om God te danken voor ontvangen zegen. Weten we niet van Godsmannen, die twee afdrukken van hun knieën in de vloer achterlieten, de plaats waar ze gewoon waren te bidden. Zijn wij niet al te geëmancipeerd om gewoon te blijven zitten als we bidden? De Here Jezus zocht de stilte. En wat is dan bidden? We hebben het net gelezen:

“Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Bidden is ontvangen. Nou nou, zal iemand zeggen, dat ken ik wel anders. Was dat maar waar! De apostel Johannes schreef er over:

“Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht.”

1 Johannes 3:21-22

Bidden is niet een verlanglijstje inleveren. Het vraagt een bepaalde instelling. Is er geen belemmering voor gebedsverhoring? Kan er onbeleden zonde in ons leven zijn? Dat is een belemmering, die gebedsverhoring kan blokkeren. Wat doen we daarmee? De apostel Johannes wees daarvoor de weg:

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”

1 Johannes 1:9

En dan is er nog iets. Zonde, onenigheid in de Gemeente kan ook de gebedsverhoring voor genezing in de weg staan:

“Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:16

Mensen zijn wonderlijke wezens. We durven wel God om vergeving vragen, maar aan een broeder of zuster in de Gemeente, dat lukt niet. Waarom niet? We zijn zo bang voor gezichtsverlies. Is dat belangrijk? Ja, het is heel belangrijk, het blokkeert het geestelijk leven in de gemeenschap. Dat valt niet altijd op. Behalve bestaande zonde wordt er dan nog een aan toegevoegd. Tijdens een Avondmaalsdienst wees ik er eens op. Ineens stond een jongeman op. Hij voelde zich niet vrij om aan het Avondmaal deel te nemen. Hij liep naar de andere kant van de zaal. Daar zat iemand, met wie hij een probleem had. Hij ging er heen om vergeving te vragen. Wat dacht u? Dat is Gemeenteleven. Geen kerkje spelen, maar doen wat Gods Woord zegt. Het komt aan op onze geestelijke gesteldheid. Dat wij bidden zoals God het wil, naar Zijn wil bidden. Niet om iets bidden, dat in strijd met Zijn Woord is.

“En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden.”

1 Johannes 5:14-15

De apostel Jacobus deed een harde uitspraak:

“Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.”

Jacobus 4:2-3

“Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand.”

1 Korintiërs 14:15

Als we om iets bidden, moeten we ons ook afvragen of Gods Naam er ook door verheerlijkt wordt. Dat heeft te maken met Zijn wil en met de gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Ja maar, zal iemand zeggen, ik heb niet gebeden om iets, dat tegen Gods Wood ingaat. Maar toch verhoort God mijn gebed niet. Dat kan niet. God verhoort alle gebeden. Maar, soms moeten we wachten, omdat God oordeelt, dat het niet nú moet. Het kan ook zijn, dat God niet geeft, wat we vragen omdat het niet goed voor ons is. Op dat moment begrijpen we het vaak niet. Later wordt het duidelijk, soms pas jaren later. Dan blijkt, dat we Hem alleen maar kunnen danken, dat God ons niet heeft gegeven, waar we om vroegen. En hoe vaak moeten we dan bidden? We zitten vaak in de knoop met onze agenda. We hebben het zo druk. Misschien zijn we bezig met echt goede dingen. Maar, zouden we er niet eens over nadenken, of we het goede soms niet moeten laten staan voor het betere? Dat vraagt iets van ons, misschien wel iets moeilijk zelfs. Maar in de geestelijke strijd, waarin we als gelovigen, staan geldt:

“En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

Efeziërs 6:18

Soms moeten we die gelegenheid zelf maken. De apostel Paulus schreef:

“bidt zonder ophouden.”

1 Thessalonisenzen 5:17

En als het om de Gemeente gaat krijgen we het Woord mee:

“En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:42-43

En wat gebeurt er dan? Dan gaat God dingen doen, waar we stil van worden. We hebben enig huiswerk te doen.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Vrees

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.”

Handelingen 5:11

Schriftlezing

“En een zeker man, met name Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom, hield iets van de opbrengst achter, met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde het aan de voeten der apostelen. Maar Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet te uwer beschikking? Hoe kondt gij aan deze daad in uw hart plaats geven? Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. En bij het horen van deze woorden viel Ananias neder en blies de adem uit. En een grote vrees kwam over allen, die het hoorden. En de jonge mannen stonden op en legden hem af, en zij droegen hem uit en begroeven hem. En het geschiedde na verloop van ongeveer drie uur, dat zijn vrouw binnenkwam, onkundig van wat er gebeurd was. En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het stuk land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel. En Petrus zei tot haar: Hoe hebt gij kunnen overeenkomen om de Geest des Heren te verzoeken? Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, zijn aan de deur en zij zullen ook u uitdragen. En zij viel terstond neder voor zijn voeten en blies de adem uit; en de jonge mannen kwamen binnen en vonden haar dood en zij droegen haar uit en begroeven haar bij haar man. En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden. En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen.”

Handelingen 5:1-16

Boodschap

De vorige keren hebben we gezien welke geweldige dingen er gebeurden in de eerste Christengemeente. Was het nu ook nog maar zo. Niemand had ooit zoiets gezien. En dan willen we het graag zo houden. De geestelijke leiders zagen het allemaal niet zitten. Het ging niet volgens hun boekje, dus deugde het niet. Tot overmaat van ramp gebeurde er ook nog een wonder aan de Tempelpoort. Ze lieten de apostelen arresteren. Geestelijke leiders, die naar geweld grijpen om hun belangen te beschermen. Dit is machtsmisbruik. In keurig Nederlands heet het dan, dat ze bij gebrek aan bewijs, de arrestanten moesten vrijlaten. Velen zien in de gebeurtenissen van Handelingen 2, 3 en 4 het model van de volmaakte gemeente. Was dat ook zo? Hoofdstuk 5 helpt ons uit de droom. De eerste Christenen zweefden niet, ze hadden oog voor de armoede om hen heen. Ze verkochten zelfs bezittingen om de armen te helpen. Geen wonder, dat die mensen de aandacht trokken en in hoog aanzien stonden. Er was een echtpaar, dat op die golf van populariteit probeerde mee te surfen. Ze waren kennelijk vergeten, dat ze in de Gemeente van Christus waren, waar de Heilige Geest bijzonder duidelijk werkte. Ze spraken samen af ook een stuk land te verkopen. Het geld zouden ze dan bij de apostelen brengen. Ze deden alsof ze het hele bedrag afdroegen, maar een deel ervan zouden ze achterhouden. Dat kon niemand weten. De geschiedenis is duidelijk. Natuurlijk mochten ze net zoveel geven en achterhouden als ze zelf wilden, maar ze deden alsof ze alles gaven. Geweldig toch! Geen haan, die er naar kraait. Maar dat pakte anders uit, heel anders. Er vielen twee doden in de Gemeente. Onvoorstelbaar. Wat was de uitwerking?

“Een grote vrees kwam over de gehele Gemeente en over allen, die dit hoorden.”

Handelingen 5:11

Geen wonder. Wat is dat die vrees? Waren ze bang, dat ze ook dood zouden neervallen? Nee, deze mensen hadden een verkeerd Godsbeeld. Ze hadden een voorstelling van God, die niet klopte met de werkelijkheid. Misschien dachten ze alleen maar: God is liefde. En dat is HIJ ook, maar dat niet alleen. God is ook heilig. En daar hadden ze geen begrip van. De apostel Paulus hield de Gemeente voor:

“Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden.”

Romeinen 11:22

De tekst leert dat God goed en streng is. Als alle nadruk op één bepaalde eigenschap gelegd wordt, maken we een karikatuur van Hem. Dat leerde Israël al in de woestijn. Ze maakten een Gouden Kalf, mannelijk, vruchtbaar, zoals bij de omringende volken, sterk. Een afschuwelijke karikatuur van de God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Is God dan niet sterk? Hij had hen toch uit Egypte geleid! Ja, maar Hij is heilig, heilig, heilig. Wat is er heilig aan een jonge stier? Het is godslastering om zich God voor te stellen als een jonge stier. Toen God Zich in Jeruzalem manifesteerde, viel de vrees op de mensen. En dat is wat ons vandaag ontbreekt. Geen angst, maar diepe, diepe eerbied. Toen God ingreep, leerden de mensen Hem beter kennen. We horen nogal eens over de God met het vingertje. Ook dat is een grove belediging, een karikatuur. God is liefde, Hij is driemaal heilig, God is ook een verterend vuur. We kunnen niet naar believen daaruit een keus maken voor wat ons het meeste aanspreekt. We moeten weten hoe we tot God kunnen en mogen naderen. Wat komt daarvan terecht in de prediking? Aan Timotheüs schreef de apostel Paulus:

“Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren.”

2 Timotheüs 4:1-4

Eerder had hij aan Timotheüs geschreven:

“Wie in zonde leven, moet gij in aller tegenwoordigheid bestraffen, opdat ook de overigen ontzag hebben. Ik betuig u voor God en voor Christus Jezus en voor de uitverkoren engelen, dat gij daaraan de hand houdt, zonder vooroordeel en zonder iets te doen uit vooringenomenheid.”

1 Timotheüs 5:20-21

Wordt daar in de Gemeente de hand aan gehouden? Velen zeggen, dat is niet meer van deze tijd. Is God veranderd? Is Zijn Woord veranderd? Hoe komen mensen er dan toe alleen uit Gods Woord te halen, wat hen van pas komt, wat vooral vriendelijk moet zijn? We kunnen er niet naar believen de teksten uit knippen, die ons een prettig gevoel geven. In het laatste Bijbel boek waarschuwde de apostel Johannes de lezers ervoor.

“Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”

Openbaring 22:18-19

We kunnen Gods Woord geloven en aanvaarden of het niet geloven en verwerpen. Dit is niet vrijblijvend. We leven vandaag in een onmogelijk moeilijke situatie. Velen raken in de knel. Ze leefden voor geld, hoe meer hoe liever. Ze gokten met het geld van anderen, die daardoor in de problemen raken. De afgod van het geld, Mammon, is omgevallen. Tallozen zijn daarvan de dupe. Heeft God ons vandaag door deze dingen iets te zeggen? Wordt het geen tijd, hoog tijd, dat we nagaan of ons Godsbeeld wel klopt? Kennen wij de vreze des Heren, de diepe eerbied voor wie Hij is? Hij is niet veranderd, Hij is Dezelfde nu. Dezelfde die Hij altijd is geweest. Laten we onszelf ervan overtuigen, dat wij geen karikatuur van Hem gemaakt hebben. Er zijn mensen geweest, die het meegemaakt hebben, dat God Zich op een bijzondere manier manifesteerde. Het gebeurde in de 1e eeuw; het gebeurde in de 20e eeuw. Hij is niet veranderd. En als wij geen bijzondere manifestatie van Hem meegemaakt hebben, wil het niet zeggen, dat Hij veranderd is. Zijn Woord leert ons, wie Hij is. Zijn Woord alleen moet voldoende zijn om Hem te leren kennen. Als we Gods Woord zo lezen en aanvaarden, gaat Hij Zich aan ons openbaren.

“Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.”

Johannes 14:21

“En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.”

Handelingen 5:11

Amen.

~Dr. K. van Berghem