De zekere toekomst van de christen [Serie]

In deze tijd van verwarring zijn er voor de gelovige Bijbelse basisprincipes waarmee hij meer dan ooit vertrouwd moet zijn. In een serie studies wordt hieraan aandacht besteed. Achtereenvolgens wordt stilgestaan bij Gods Woord als het fundament van de gelovige. Daarna gaat om zijn positie in Christus, daarna de geestelijke strijd gevolgd door het onmisbare gebed. Aandacht wordt vervolgens besteed aan het profetische woord, daarna de mogelijke misleiding van de gelovige. Verder is er sprake van een andere Christus. De voorzegde afval wordt onder de loep genomen gevolgd door de weerhouder. De laatste vier studies in deze serie gaan over de werking van Satan, dwaling en oordeel, de voorgestelde heerlijkheid, EN tot slot de zekere toekomst van de christen.

Vergeving

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken Worden.” Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:15-16

Schriftlezing

“Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur. Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken.  Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming. Maar vooral, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch welke andere eed ook. Laat ja bij u ja zijn en neen neen, opdat gij niet onder het oordeel valt. Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen.  Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.  En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:9-16

Boodschap

Vorige week beloofde ik terug te komen op de bespreking van Jacobus 5:14-15. Er is een nadere uitleg nodig over de plaats waar zonden beleden en vergeven worden. Ik zei toen, dat dit niet in een massabijeenkomst moet gebeuren. Hoe kan iemand zijn hart uitstorten en zonden belijden waar talloze mensen getuige van zijn. Daar zijn geen pottekijkers bij nodig, geen ongezonde nieuwsgierigheid. Niet smullen van spectaculaire scènes. De tekst geeft ten eerste aan, dat de goddelijke hulp of genezing wordt ingeroepen door een gelovige, die Christus belijdt als Heer en Heiland. Let wel, Heer staat voorop. Dat betekent, dat HIJ degene is, die het voor het zeggen heeft. Voor hen die dit erkennen is HIJ ook de Heiland, de Verlosser, die kan bevrijden van ziekte en zwakte. Daarbij maakt het niet uit of die kwaal lichamelijk, psychisch of geestelijk is. De Bijbel maakt duidelijk onderscheid tussen ziel en geest. Voordat gebeden wordt en de handen opgelegd, moet de predikant, ouderling, of wie er met de bediening belast is, aan de hulzoekende vragen of er mogelijk sprake van zonde is. Het is mogelijk, dat God Zijn kind op het ziekbed heeft neergelegd vanwege zonde om hem/haar de gelegenheid te geven tot zichzelf te komen en na te denken. De hulpzoekende kan zo druk  bezig zijn in het dagelijks leven, dat hij niet tot rust kan komen en zonder ophouden doordraaft. Het kan ook een vlucht zijn. De dagelijkse praktijk bewijst ook, dat mensen pas gaan nadenken als ze uitgeschakeld worden. Dan rijst de vraag naar de zin van de dingen. Dan gaat de hulpbehoevende zich realiseren, dat er meer is dan dit leven en de carrière en wat daar mee samenhangt. In dat geval kan ziekte een zegen zijn. Maar iemand kan natuurlijk ook om andere redenen uitgeschakeld raken. Kortom, iemand kan niet verder zoals hij/zij dat gewoon was. De grootste openheid ontdekte ik onder patiënten in een grote psychiatrische inrichting. Om welke reden dan ook, elke patiënt was zich daar bewust, dat hij het niet had gered. Een ziektegeval kan de inleiding worden voor iemand, die niet gelooft om door innerlijke overtuiging tot geloof te komen. Vroeg of laat komen we God tegen. Wie niet gelooft moet niet denken, dat hij God daarmee ontlopen kan. Pastorale zorg gaat uit van Gods Woord. Hoe is de persoonlijke relatie van de hulpzoekende met God? Als die relatie er niet is, moet daar mee begonnen worden. De vraag is niet of iemand lid van die of die kerk is. Als iemand de hulp inroept, die in de Jacobusbrief bedoeld wordt, ligt daar het begin van het gesprek. Als iemand Christen is, moet de vraag gesteld worden, of er sprake van zonde kan zijn. Dat hoeft niet, maar het kan. Dit is een delicate vraag, waarbij de pastorale zorger niet boven maar naast de hulzoekende gaat staan. Het gaat er om hem te helpen, niet om te oordelen, nog minder om te veroordelen. Dat is zijn taak niet. Het is niet voor niets, dat er een beroep op de oudsten van een Gemeente gedaan wordt. Aan hen worden hoge eisen gesteld. Het moeten geestelijk rijpe mannen met levenservaring zijn, die onder strikte geheimhouding staan. De zondevraag moet gesteld worden.

“Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt.”

Jacobus 5:16

Er moet opening van zaken gegeven worden. Dat kan moeilijk zijn. Maar als daar in gehoorzaamheid naar geluisterd wordt, ontvangt de hulpzoekende vergeving. Onbeleden zonde vormt een obstakel voor gebedsverhoring. Ook de pastorale zorgers zijn ook mensen, die weten wat zonde is en vergeving hebben ontvangen nadat zij hun zonden beleden hebben. Dit is de Bijbelse weg. Het gaat er niet om, dat de oudste in het “ambt.” De Bijbel kent geen ambten; mensen die met geestelijke zorg belast zijn, zijn geen ambtenaren maar hebben gaven ontvangen om verantwoordelijkheden in de Gemeente te dragen. Van hen mag verwacht worden, dat ze een persoonlijke relatie met God hebben, dat ze Gods Woord kennen en een gezond gebedsleven hebben. Voor hen geldt:

“Leg niemand overijld de handen op, heb ook geen deel aan de zonden van anderen, houd u rein.”

1 Timotheüs 5:22

Handoplegging is geen vrijblijvende bezigheid. De praktijk leert, dat het gevaarlijk is zich in haast door wie dan ook de handen te laten opleggen. Het wil niet zeggen, dat een vlotte spreker aan de Bijbelse voorwaarden voldoet. Handoplegging aan de lopende band is een volkomen on-Bijbelse bezigheid. Het mag ook geen eenmansactie zijn. Handoplegging is altijd teamwerk. Als er geen vragen over zonde worden gesteld, moet de hulpzoekende zich de handen niet even laten opleggen. Ze kunnen daardoor ernstige geestelijke schade oplopen. Is sommige gevallen hebben gelovigen na handoplegging om in tongen te kunnen spreken, Gods Woord niet meer kunnen lezen en bidden. Er kan zelfs een occulte binding ontstaan. Het is niet voor niets, dat deze bediening binnen het kader van de Gemeente behoort plaats te vinden. De hulpzoekende en de hulverlener(s) kennen elkaar. In sommige gevallen kan het niet. Bij een Gemeente, die deze bediening niet heeft, klopt men tevergeefs aan. Daarbuiten moet de hulpzoekende goed weten aan wie hij zich toevertrouwt. Samenvattend: Bewuste, onbeleden zonde(n) moet(en) beleden worden, de oudsten bidden voor hem/haar en zalven de hulpzoekende met olie in de Naam des Heren, in het besef en de aanvaarding van: Uw wil geschiede.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Genezing

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.”

Jacobus 5:14-15

Schriftlezing

“Welaan dan, gij rijken, weent en maakt misbaar over de rampen, die u zullen overkomen. Uw rijkdom is verrot, uw klederen zijn door de mot aangevreten, uw goud en zilver is verroest, en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn. Zie, het loon, dat door u is ingehouden van de arbeiders, die uw landen hebben gemaaid, schreeuwt, en het geroep van hen, die uw oogst hebben binnengehaald, is doorgedrongen tot de oren van de Here Sebaot. Gij hebt op aarde weelderig geleefd en u te goed gedaan, gij hebt uw hart vetgemest in de slachttijd. Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord; er is geen verweer tegen u. Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij.  Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur. Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken. Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming. Maar vooral, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch welke andere eed ook. Laat ja bij u ja zijn en neen neen, opdat gij niet onder het oordeel valt. Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen.  Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:1-16

Boodschap

Genezing. Dit is een zeer actueel onderwerp. Elk jaar betalen we hogere premies. Ziekenhuizen hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Genezing. Ieder mens wil gezond zijn of weer worden. Ook Gods Woord spreek erover. En dat kost geen geld. Voor wie was deze boodschap bestemd? Uit deze brief blijkt, dat het geschreven werd aan Messiasbelijdende Joden. We kunnen maar een klein gedeelte van deze brief bespreken.

“Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.  En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.”

Jacobus 5:14-15

De tekst heeft hier twee delen. Er zijn veel vormen van lijden. De totale mens bestaat uit geest, ziel en lichaam. Ook gelovigen kunnen problemen hebben. Het gaat hier om iemand, Jood of heiden, die de Messias belijdt. Iemand bij wie de Here Jezus centraal in zijn leven staat. In zo’n situatie mag hij/zij de oudsten van de Gemeente roepen om voor hem te bidden en hem of haar in de naam des Heren te zalven. De belofte is, dat de zieke opgericht zal worden. Dat is iets anders dan rechtop in bed zitten. In de grondtekst staat: gered zal worden. Gered van wat? Dat kan lichamelijk, psychisch of pneumatisch, of te wel geestelijk, zijn. Jacobus was een Jood met Hebreeuws denken. In dat denken gaat niet maar om de lichamelijke problemen, waar onze tijd zo zwaar de nadruk oplegt. Het gaat om de totale mens. Dat wil zeggen geest, ziel en lichaam. Gods Woord leert, dat geest en ziel niet hetzelfde zijn.

“En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.”

1 Thessalonisenzen 5:23

en het volgende gedeelte:

“Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest,”

Hebreeën 4:12

Genezing is niet los verkrijgbaar. Waarom zou iemand, die niet in de Here Jezus gelooft bij Hem genezing zoeken? De gelovige zieke kent de oudsten, en zij kennen hem. Het gesprek vindt plaats in de woning van de hulpzoekende. Waarom daar? Daar moet de vraag gesteld worden of er mogelijk sprake van zonde is. Dat moet niet in een massabijeenkomst op een podium. Het gaat hier om zaken, waar niemand wat mee te maken heeft. In een volgende overdenking hoop ik daar op terug te komen. Dit gesprek, het gebed en de zalving met olie behoort plaats te vinden in de intieme kring, waar geheimhouding verzekerd is. Ook de oudsten zijn daar aan gebonden. Het gaat om geestelijk rijpe broeders. Hun relatie met de Heer van de Gemeente moet ook zuiver zijn. Bij allen, die bij deze gebeurtenis betrokken zijn mag er geen sprake van bewuste en onbeleden zonde zijn, die gebedsverhoring in de weg staat. Als dingen uitlekken en rondzingen, is dat funest voor pastorale zorg. Het is ook geen magisch gebeuren. De handelingen worden verricht en dan moet het gebeuren Zo werkt het niet. En al helemaal niet, waar geen genezing plaatsvindt, de hulpzoekende er de schuld van krijgt, omdat hij/zij niet gelooft. Het gaat om het welzijn van de hulpzoekende. Het gaat om tijdelijk of eeuwig welzijn. Het probleem kan lichamelijk of gevoelsmatig zijn, of de combinatie ervan, wat psychosomatisch genoemd wordt. Het kan ook puur geestelijk zijn. Gods Woord is duidelijk. In kinderlijk eenvoudig geloof mogen we die weg gaan. Daarbij blijft het altijd: Uw wil geschiede, ook al begrijpen we het niet. Ik kom er een volgend keer op terug.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Waar is de Bruid?

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!”

Mattheüs 25:6

Schriftlezing

“Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs. Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie; doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen. Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. En midden in de nacht klonk een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf. Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten. Later kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open! Maar hij antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur.”

Mattheüs 25:1-13

Boodschap

Dit Schiftgedeelte is een waarschuwing voor hen die denken, het zal mijn tijd wel duren. Dit geldt voor alle tijden en voor alle mensen. Dus ook voor de gelovigen van deze tijd. Ze houden er rekening mee, dat de Heer der Gemeente onverwachts zal komen. Daar gaan geen signalen aan vooraf. Er is geen profetie, die nog in vervulling moet gaan vóór Zijn komst. Het waarschuwende knipperlicht heeft al eeuwenlang geknipperd. Er wordt niet meer op gelet en dan gebeurt het ineens. Er is iets opvallends in deze gelijkenis. Er is sprake van een bruidegom, van een bruiloftszaal, van tien maagden, de vriendinnen van de bruid. Maar waar is de bruid? Die wordt niet genoemd. Het bruiloftsfeest kan toch niet gevierd worden als de bruid er niet bij is! Of is het een van de tien maagden? Welke dan? Vijf waren wijs, vijf waren dwaas. De bruidegom zal toch niet een dwaze maagd gekozen hebben! Welke van de vijf wijze maagden is het dan geworden? Het antwoord ontbreekt. Of toch niet? Aan wie heeft de Here Jezus deze gelijkenis in het Evangelie van Mattheüs gegeven? Het staat in het Nieuwe Testament. Dus voor de Gemeente! Nee, want die bestond niet. De vier Evangeliën behoren tot rond de 95% tot het Oude Testament. De boodschap was gericht tot Israël. Het gaat om een nog niet vervulde profetie voor Israël. Het Bruiloftsfeest houdt de situatie in, die zal ontstaan als Jezus Christus, de Messias met de Bruid, dat is de Gemeente, terugkomt aan het begin van het Duizendjarig Rijk. Waar komt die Bruid in Mattheüs 25:6 ineens vandaan? Onze Bijbelvertaling is een weergave van de Griekse grondtekst. Daar ontbreekt de Bruid, maar ze staat wel vermeld in de oudere Aramese tekst, de Peshitta, en zelfs in de Latijnse tekst, de Vulgaat. Bij de Wederkomst van Christus, heeft de bruiloft van het Lam al plaatsgevonden in de hemel. Nu komen de Bruidegom en de Bruid naar de aarde om het bruiloftsfeest met de vrienden, dat is Israël, te vieren. De levenssituatie i het Duizendjarig Rijk staat in schril contrast met de situatie van de huidige wereld, die met de dag slechter wordt. Bij een Joodse bruiloft werden tien maagden voor het bruiloftsfeest uitgenodigd, die jonger moesten zijn dan de bruid. Nu waren er vijf wijs en vijf dwaas. Tot op vandaag zien de Joden uit naar de komst van de Messias. Die moet nog altijd voor de eerste keer komen. Voor hen is Jezus van Nazareth niet de Messias. Voor de Christenen is Jezus de Messias. Het Griekse woord Christos is de vertaling van het Hebreeuwse maschiach. Als we in het Nieuwe Testament de aanduiding “Christus” lezen, zouden we eens moeten beginnen met daar “Messias” te lezen. Want dat is Hij. Als Bruid ziet de Gemeente uit naar haar Opname als de Bruidegom, de Messias, haar in de lucht tegemoet komt om haar tot zich te nemen.

“Want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.”

1 Thessalonisenzen 4:16-17

In het Evangelie van Mattheüs wordt vooruitgezien naar Zijn Wederkomst aan het einde van de Grote Verdrukking: “De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!” Mattheüs 25:6. Dan heeft de Bruiloft van het Lam al plaatsgevonden.

Toen de Here Jezus op aarde was, werd Hij gekruisigd. Tot op vandaag worden de Joden daar scheef op aangekeken. Dit heeft tot een afschuwelijk en verwerpelijk antisemitisme geleid. Maar Israël herkende Hem niet. Hij beantwoordde niet aan hun verwachting. Zij hadden een beeld van de Messias, dat niet klopte met dat van Jezus, die onder leefde. Hoe komt dat? De apostel Paulus spreekt over een gedeeltelijke verharding van Israël. Dit is een mysterie, waar we als Christenen eens heel diep over moeten nadenken. We moeten vooral niet vergeten, dat de Here Jezus tegen de Samaritaanse vrouw zei:

“Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden.”

Johannes 4:22

Hierbij we denken aan het woord van de apostel Paulus voor de Christenen:

“Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jacob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.”

Romeinen 11:25-27

Die verharding is van tijdelijke aard, daar komt een einde aan. Dat was voor ons bestwil. God heeft Israël niet afgeschreven. De Kerk heeft niet de plaats van Israël ingenomen. Er komt een volkomen omkeer in de situatie van Israël.

“Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond; ja ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem. Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen.

(…)

Te dien dage zal Ik zoeken te verdelgen alle volken die tegen Jeruzalem oprukken. Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.”

Zacharia 12: 2-3, 9-10

Dan zal Israël de Here Jezus als Messias erkennen. We herhalen het woord van de apostel Paulus: “En aldus zal gans Israël behouden worden.”

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Gebed

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Hij sprak een gelijkenis tot hen met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen.”

Lucas 18:1

Schriftlezing

“Hij sprak een gelijkenis tot hen met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen. En Hij zei: Er was in een stad een rechter, die zich om God niet bekommerde en zich aan geen mens stoorde. En er was een weduwe in die stad, die telkens tot hem kwam en zei: Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij. En een tijdlang wilde hij niet, maar daarna sprak hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij niet om God en al stoor ik mij aan geen mens, toch zal ik, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar recht verschaffen; anders komt zij mij ten slotte nog in het gezicht slaan. En de Here zei: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”

Lucas 18:1-8

Boodschap

In bijna de helft van alle Bijbelboeken wordt het gebed genoemd. Het vers, dat we samen hebben gelezen leert, dat we altijd moeten bidden en niet opgeven. Voor de gelovige is dit niet alleen een plicht, het is ook een voorrecht. Er zijn ook beloften voor de bidder.

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:7-8

“Maar” zegt iemand, “ik heb al lang gebeden, maar mijn gebed wordt niet verhoord.” Misschien bedoelt u, dat God geen “ja” gezegd heeft, dat Hij u niet gaf waar u om vroeg. Soms zegt God ook “nee,” dan is ons gebed wel gehoord, maar niet verhoord zoals u het wilde. Nee, is ook een antwoord. Hebt u lang gebeden? Hoe lang is lang? Met welke bedoeling bidt u?

Soms bidt iemand om iets, waarvan hij heel zeker is, dat het goed is. En toch gebeurt het niet. Soms blijkt jaren later pas, waarom God niet gaf of deed, waarom iemand bad. Achteraf begrijpt de bidder, waarom God er niet op inging en kan de bidder alleen maar danken voor Gods weigering. Voor zover gebedsverhoring van de bidder zelf afhangt, is de voorwaarde, dat er geen bewuste onbeleden zonde is, die de weg blokkeert. Ja maar, zegt iemand, ik heb maar zo weinig tijd. Mijn omstandigheden laten het eigenlijk niet toe. Geen tijd? Dat klopt! Niemand heeft tijd. De minuut, die voorbijging, hebben we niet meer. De minuut, die nog moet komen hebben we nog niet. Inderdaad, we hebben geen tijd. Maar God geeft ons 24 uur in een etmaal. De vraag is, hoe we die gekregen tijd indelen. Het is een kwestie van prioriteiten stellen. Ja maar, zegt u, mijn agenda staat vol met afspraken, taken, die vervuld moeten worden. Ik zou niet weten, hoe het moet. In onze tijd worden we opgejaagd. Laten we ons opjagen? We hebben nog nooit zoveel vrije tijd gehad als nu. Ons voorgeslacht werkte 60 uur per week, ‘s Zaterdag tot 4 uur. Wij deden het al veel beter met 48 uur per week, ‘s Zaterdags tot half 1 en 6 dagen vakantie. Nu werken we 36 uur met hoeveel vakantie? Geen tijd? Geen tijd is onzin. Het gaat er om, hoe we de tijd indelen, die God ons geeft. Met bidden moeten we niet wachten, tot we een ogenbik vrij hebben. We moeten er de dag mee beginnen. Het liefst voordat we iemand gezien hebben. Dat komt heel vreemd over. Maar als we bidden, over wie hebben we het dan eigenlijk? Spreken met God. Meer niet? Wat is dan ons Godsbeeld, hoe denken wij, wie Hij is? Hoe kunnen we geen tijd voor God hebben, als Hij ons de tijd geeft? Die tijd moet vrijgemaakt worden. Dat kost inspanning, misschien offer. Desnoods moeten we er iets anders voor laten staan of opgeven. We besteden zoveel tijd aan televisie en computer. Die hadden we vroeger niet. Het is goed daar eens in te snijden. Misschien vindt uw omgeving dat vreemd. Dat is dan hun probleem. U hoeft zich niet te schamen, als u tijd voor God vrijmaakt. Een andere zaak is, dat u uzelf dan afvraagt, ja, maar waar moet ik dan voor bidden? Alleen voor de dingen van de dag? Nee!

“Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.”

1 Korinthiërs 15:19

Natuurlijk bidden wij voor de dagelijkse dingen. Maar er is meer, veel meer. Er ligt een eeuwigheid voor ons. Het is zaak dat we dat, te midden van alle bedrijvigheid, in het oog houden. Het aardse leven is kort, het gaat snel, heel snel. Het eeuwige leven is eeuwig. We kunnen ons niet veroorloven dat te verliezen, omdat we er tijdens dit leven geen rekening mee houden. Soms vinden we geen woorden om onze gevoelens uit te drukken. Dan is ons gebed niet meer dan een zucht. Luister dan naar het woord van de apostel Paulus:

“Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.”

Romeinen 8:25-26

Hij bemoedigde de gelovigen in Efeze en riep ze op met de woorden:

“Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen;” en “Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden. Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

Efeziërs 3:20-21; 6:11-18

Het altijd moeten bidden en niet verslappen betekent een geestelijke strijd. Bidden is niet een verlanglijstje indienen waar onze wensen op staan. En dan maar hopen, dat de boodschappen spoedig afgeleverd worden. Zonder de situatie te dramatiseren, we staan in een geestelijke strijd. Deze wereld is Gods wereld. Net als wat ons in de Tweede Wereldoorlog overkwam: we leven in bezet gebied. De vijand, dat is de god van deze eeuw, waar Paulus het over had in de verzen die we hebben gelezen, verblindt de mensen. Met duizend en een dingen; hij leidt hun aandacht af. Het evangelie wordt als achterhaald verdrongen. Daarom schreef Paulus aan de Gemeente:

“Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.”

2 Korinthiërs 4:3-4

We moeten ons niet laten verblinden door schone schijn. De laatste tijd hebben we gezien dat er heel wat zogenaamde onaantastbare zekerheden, de goden van deze tijd, omgevallen zijn. Dan staan mensen met legen handen. Waar kunnen ze heen? Nergens! Wij hebben een God, die niet omvalt. Waar kunnen wij heen? Naar Gods Troon. Zijn Zoon heeft de weg gebaand. Als u Hem toebehoort, hebt u toegang. Daarom of we het zien of niet; of het begrijpen of niet:

“Hij, dat is Jezus, sprak tot hen met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen.”

 

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Wakker worden!

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.”

Efeziërs 5:14

Schriftlezing

“Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk. Maar van hoererij en allerlei onreinheid of hebzucht mag onder u zelfs geen sprake zijn, zoals het heiligen betaamt, en evenmin van onwelvoegelijkheid en zotte of losse taal, die geen pas geven, doch veeleer van dankzegging. Want hiervan moet gij doordrongen zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en God. Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. Doet dan niet met hen mede. Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts, – want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid – , en toetst wat de Here welbehagelijk is. En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht. Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is.”

Efeziërs 5:1-17

Boodschap

De nu onbewoonde stad Efeze uit de 12e eeuw voor Christus, was de belangrijkste stad in de Romeinse provincie van Klein-Azië, het huidige Turkije. De stad met zijn driehonderdduizend inwoners had een beroemde tempel voor de vruchtbaarheidsgodin Diana met de vele borsten. Van deze godin werd gezegd, dat ze uit de hemel gevallen was. Deze godin werd wereldwijd vereerd. In de Franse stad Nîmes bestaat de nog altijd toegankelijke ruïne van een tempel van deze godin. Bij mijn bezoek bleek de godin niet aanwezig, er was ook geen afbeelding van haar. Er was in Efeze een grote Joodse gemeenschap. In het jaar 52 bezocht de apostel Paulus deze stad. Vanwege het belang van dit belangrijke handels-, politiek en godsdienstig centrum bleef hij er bij een later bezoek 2 jaar. Toen begon er vijandschap tegen het groeiende Christelijke geloof te ontstaan. De godsdienst van Diana begon er onder te lijden zodat zelfs een economische crisis ontstond. Hoewel er nog veel meer interessante dingen over deze stad te vertellen zijn, zullen we het hier even bij laten. We zijn in het gelukkige bezit van enkele momentopnamen over een periode van ruim 30 jaar van de geschiedenis van deze Gemeente. Ik noem enkele hoogtepunten. Volgens Handelingen 19:1-8 kwam de apostel Paulus na zijn reis door de bovenlanden in Efeze. Drie maanden lang sprak hij in de synagoge over het Koninkrijk Gods. Hij maakte kennis met 12 mannen, die eerder in Jeruzalem de doop van Johannes hadden ontvangen. Na Paulus’ prediking lieten zij zich dopen en ontvingen de Heilige Geest. Hier ligt de basis van de Christelijke Gemeente in die stad. Er gebeurden opzienbarende dingen in die stad. Ik citeer:

“Enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders waagden het over hen, die zulke boze geesten hadden, de naam van de Here Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt. Het waren nu zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden. Maar de boze geest antwoordde en zei: Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij? En de mens, in wie de boze geest was, sprong op hen af, overweldigde hen tezamen en bleek zoveel sterker dan zij, dat zij zonder kleren en gewond uit dat huis moesten vluchten. En dit werd bekend aan allen, Joden en Grieken, die te Efeze woonden, en vrees overviel hen allen, en de naam van de Here Jezus werd grootgemaakt; en velen van hen, die gelovig geworden waren, kwamen hun schuld belijden en uitspreken wat zij bedreven hadden. En enigen van degenen, die toverkunsten hadden uitgeoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwen van allen. En men berekende de waarde ervan en stelde die vast op vijftigduizend zilverstukken. Zo wies het woord des Heren krachtig en het werd sterker.”

Handelingen 19:13-20

Dit alles leidde ertoe, dat de Efeziërs zich van godin Diana begonnen los te maken. Dit had grote gevolgen voor de industrie waar de beeldjes van de godin werden gemaakt. Het trof het godsdienstig toerisme met alles wat daarbij hoort. De toen al bestaande vakbond kwam in verzet. Het liep uit op een massabetoging voor de godin in het eerder genoemde theater. De hele stad was in rep en roer. Er was zelfs een dreiging dat de Romeinse troepen zouden ingrijpen om de orde te herstellen. Paulus was van zijn leven niet zeker. Een ding is duidelijk: er ging een krachtige werking uit van de Gemeente. De Gemeente verkocht geen verhaal voor kinderen en oude vrouwtjes. Was het zo maar gebleven! Tien jaar later schreef de apostel een brief aan deze Gemeente. Uit de tekst van deze overdenking spreekt grote zorg. Het begin was zonder meer indrukwekkend. Maar een jaar of tien na dat indrukwekkende begin riep de apostel de ingedutte Gemeente toe:

“Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen.”

Efeziërs 5:14-15

Is daar iemand? Wakker worden! Dat was in het jaar 64. Het is verdrietig, dat de volgende generatie het er niet beter afbracht. Rond het jaar 95 kreeg de apostel Johannes van de Heer der Gemeente de opdracht een brief aan de Gemeente Efeze te sturen waarin o.a. het volgende te lezen stond:

“Dit zegt Hij, die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt: Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden; en gij hebt volharding en hebt verdragen om mijns naams wil en gij zijt niet moede geworden. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert.”

Openbaring 2:1-5

Tien jaar na het begin van de Gemeente wordt ze opgeroepen wakker te worden. De Gemeente was ingedut. Het betekent niet, dat er niets goed aan was. Dat bleek 30 jaar later wel uit hun inspanning en volharding. Hun geestelijk inzicht om de verkondigers van verhaaltjes te ontmaskeren. Ondanks de kritiek, die ze kregen waren ze niet moe geworden maar gingen door. Maar een ding ging niet goed: de Heer van de Gemeente, Jezus Christus, stond niet meer op de eerste plaats. Dit is fataal voor de Gemeente. Als er geen verandering in komt, dreigt Hij de kandelaar, de aanwezigheid van de Heilige Geest, weg te nemen. Als dat gebeurt zakt de Gemeente af naar het niveau van een club, die kerkje speelt. De vraag voor elke Gemeente is steeds weer: zijn wij in het centrum van Gods wil, of zijn we zo druk bezig, dat we dat niet meer zien? Of we dat nu prettig, en van deze tijd, vinden of niet: bidden wij in alle oprechtheid: Uw wil geschiede, wat het ook kost? De Gemeente, die zich zo opstelt en het in praktijk brengt, krijgt kritiek. Met alle goede bedoelingen, met alle inzet, die gelovigen kunnen opbrengen, kunnen ze geestelijk ingeslapen zijn. Daarom riep de apostel ”wakker worden.” Kijk hoe het begon, en hoe is het nu? Het is niet allemaal vanzelfsprekend. De apostel riep: sta op van tussen de doden. Die doden zijn de mensen, die geestelijk dood zijn, mensen, die God niet kennen. Ongelovigen moeten wedergeboren worden; ingeslapen gelovigen moeten wakker worden. Ze moeten zien waar het om gaat en er naar handelen. De Efeziërs leefden in een grote stad, die bruiste van de energie. Misschien verdienden ze de kost in het toerisme of in de handel. Daar is niets mis mee, maar lieten ze zich niet sluipend meeslepen in de heersende cultuur, die van het Christelijk geloof niets hebben moet? In onze tijd is het niet anders. Dit is alles behalve comfortabel. Wie een volgeling van Christus wil zijn, betaalt daarvoor een prijs. In deze tijd wordt dat steeds moeilijker. Er zijn berichten, dat veel jonge mensen spontaan voor gebed bijeenkomen. Velen hebben een blij geloofsleven gekregen. Hier klinkt het geritsel van een Opwekking. Ziet u er ook naar uit? De roep klinkt: wakker worden! Hoort u het? Sta dan op, de Meester is daar en Hij roept u!

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Het Koninkrijk – Deel 1

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken.”

Kronieken 29:11-12

Schriftlezing

“Daarop zei koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap, en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de Here God. Daarom heb ik, zoveel ik vermocht, gereedgelegd voor het huis van mijn God: goud voor de gouden, zilver voor de zilveren, koper voor de koperen, ijzer voor de ijzeren, hout voor de houten voorwerpen, chrysoprasen en vulstenen, zwarte en kleurige stenen, allerlei edelgesteente en wit marmer in menigte. Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God, van wat ik zelf aan goud en zilver bezit, aan het huis van mijn God, behalve wat ik voor het heiligdom heb gereedgelegd: drieduizend talenten goud, goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de muren der gebouwen te overtrekken; goud voor de gouden en zilver voor de zilveren voorwerpen, en voor alles wat door de handwerkslieden wordt gemaakt. Wie verklaart zich nu bereid, om heden de Here zijn gave te schenken? Toen verklaarden zich daartoe bereid de oversten der families, de oversten van Israëls stammen, de oversten over duizend en honderd en de oversten over het werk van de koning; zij gaven voor de dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend darieken; tienduizend talenten zilver; achttienduizend talenten koper en honderdduizend talenten ijzer. Wie edelstenen bij zich had, gaf die, voor de schat van het huis des Heren, in handen van de Gersoniet Jechiël. Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de Here; ook koning David verheugde zich met grote vreugde. Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zei: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken. Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam. Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand.”

Kronieken 29:1-14

Boodschap

Na Zijn Opstanding sprak de Here Jezus 40 dagen lang met Zijn discipelen over het Koninkrijk Gods. Over het Gods Koninkrijk en koningschap valt veel te zeggen. Het gedeelte, dat we gelezen hebben is nogal moeilijk. Maar het is zeer de moeite waard om de inhoud ervan tot ons te laten doordringen. Wat betekent koninkrijk en koningschap, waar begon dit? Het kan hier alleen schematisch weergegeven worden. In Bijbels licht betekent “Koning” zoveel als soevereiniteit, bezitter van de hoogste macht. Daaraan is ieder mens volkomen gehoorzaamheid verschuldigd. Het gaat niet om democratie. Om dat duidelijk te maken, had God het volk Israël uitgekozen om dit aan de wereld te laten zien:

“Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.”

Deuteronomium 7:6

Aardse koninkrijken zijn er een afspiegeling van. Zo was het in de eeuwenlange geschiedenis van Israël. Israël was bedoeld als voorbeeld voor de natiën. Het volk Israël had niet God uitgekozen om koning over hem te zijn, maar God had Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Wat had God hiermee voor?

“Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.”

Jesaja 60:3

Door middel van het volk Israël wilde God Zich aan de volken bekendmaken. Waarom koos God het volk Israël? Omdat het beter was dan andere volken? Nee, maar omdat Hij het zo wilde. Maar het was met vallen en opstaan. Bij de Uittocht uit Egypte moest Mozes al Gods boodschap aan het volk overbrengen:

“Gij zijt immers een hardnekkig volk.”

Deuteronomium 9:6

In het eerste Bijbelboek Genesis worden al veel koningen genoemd, maar Israël had geen koning. Eindelijk wilde Israël zelf ook een koning hebben.

“De Here zei tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.”

1 Samuel 8:7

God was dus de Koning van Israël, maar daar had het volk kennelijk niet genoeg aan. Op enkele uitzonderingen na blijkt, dat door heel de geschiedenis van Israël heen, het steeds weer misging. En toch komt God tot Zijn doel. Ze dienden God wel, maar meestal op de manier, zoals andere volken hun goden dienden. Ze waren God niet vergeten, maar deden niet wat Hij gezegd had en waartoe zij zich vrijwillig hadden verbonden. Naast God dienden ze andere goden aan wie zelfs mensenoffers gebracht werden. Zo hadden ze een godsdienst uitgezocht, die meer aansloot bij de eisen van de tijd. Hoe doen wij dat vandaag? Misschien hebben we God niet vergeten, maar hebben we er een en ander meer van eigen ontwerp of keus bij, dat meer aansluit bij deze tijd.

In de tijd van koning David was Israël een machtig rijk geworden. Het absolute hoogtepunt van dit koninkrijk zou de bouw van de Tempel worden. Dat zou koning Salomo gaan doen. Hoewel de hele wereld met bewondering, misschien wel met afgunst, naar Israël keek, lag de nadruk niet op de aardse heerlijkheid en macht van de koning. God stond centraal. In zijn gebed zei David:

“Van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11b

Hiermee erkende hij, dat niet hij de hoogste autoriteit was. Hij was onderkoning, en dat zou Salomo ook zijn. Door alle menselijke gebrokenheid heen, komt God tot Zijn doel zowel met Israël als met ons. Israël is een volk, net als alle andere. Er is één verschil: God heeft dat volk uitgekozen om zich aan de wereld bekend te maken. Waarom koos Hij dat volk? Het had elk ander volk kunnen zijn. Dan wordt de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament. In het bekende “Onze Vader- gebed” leerde de Here Jezus Zijn discipelen bidden:

“Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:13

Het gaat niet alleen om het aardse koninkrijk naar Gods model, maar dat correspondeert met het hemels koninkrijk: “Uw wil geschiede in de hemel alsook op de aarde,” leert het Onze Vader. Het gaat om dat ene Koninkrijk Gods zowel op aarde als in de hemel. En zo gaat het gebeuren. Er zijn Bijbelverklaarders, die het komende Koninkrijk niet letterlijk maar geestelijk opvatten. De profeet Daniël profeteerde iets anders. Als de tijd voor de tien koningen van de eindtijd voorbij is, luidt de nog niet vervulde profetie:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar.”

Daniel 2:44-45

Na Zijn Opstanding zal door de uitleg van de Oudtestamentische profetieën aan de discipelen veel voor hen duidelijker zijn geworden. Dat volmaakte aardse Koninkrijk komt er alsnog. Tijdens een latere ledenvergadering in Jeruzalem trok de apostel Paulus de profetische lijn verder door. De Gemeente in Jeruzalem kreeg te horen:

“En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.”

Handelingen 15:15-18

Het is nog niet gebeurd, maar het koningshuis van David zal letterlijk hersteld worden. Dat letterlijke herstel zal volkomen geestelijk zijn, want:

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11

Want:

“Van U is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.”

Mattheüs 6:13

Amen.

~Dr. K. van Berghem

De Opstanding

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here.”

Romeinen 1:3-4

Schriftlezing

“Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften – aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here – door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen, tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus – aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.”

Romeinen 1:1-7

Boodschap

Het Schriftgedeelte, dat we hebben gelezen is erg kort. Maar het is daarom niet minder belangrijk, integendeel. Als dit alles was, wat we van de brief aan de Romeinen zouden bezitten, zou het meer dan voldoende zijn. Hier wordt de basis van het Christelijk geloof gelegd. Aan het begin van zijn brief aan de Romeinen legt de apostel Paulus dit fundament voor alles, wat hij aan hen schrijft. Alles hangt daar van af en hangt er mee samen. Het is maar niet een deftig begin, dat begint met een verheven uitspraak. Paulus maakt er geen literair hoogstandje van. De Opstanding van Jezus Christus uit de doden is het fundament van het Christelijk geloof. Valt dat weg, dan stort het Christendom in. Daarom is het Paasfeest zo belangrijk. Het behoort nog altijd tot de officiële feestdagen waarop iedereen in het land vrije dagen heeft. De vraag is, welke plaats dit heilsfeit in het leven van de gelovigen heeft. Vrije dagen en liefst mooi voorjaarsweer en dan er op uit. Op zich is daar niets is mee, maar waar gaat het in feite om? De Opstanding van Jezus Christus heeft een radicale wending aan de geschiedenis gegeven. Het heeft er enorm gespannen. Voordat Hij uit de doden opstond waren er dramatische gebeurtenissen aan vooraf gegaan. De komst van Jezus in deze wereld was de vervulling van een belofte aan het Joodse volk. Hij was de Christus, dat wil zeggen de beloofde Messias. Maar, en dat is heel triest, ze geloofden het niet. Hij beantwoordde niet aan de verwachting van de Joodse leiders. Zij hadden een beeld voor ogen, dat niet klopte met de werkelijkheid. Daaruit ontstonden grote problemen. Op allerlei manieren probeerden de leiders HEM te beschuldigen. Aan de hand daarvan konden ze bewijzen, dat Hij niet de Messias was. Maar dat lukte niet. Eindelijk was het zover, dat Hij gevangen werd genomen en voor de Joodse Raad moest verschijnen om Zich te verantwoorden. Van een eerlijk proces kan in ieder geval geen sprake zijn. De Evangelist Mattheüs schreef:

“De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden. Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen. En de hogepriester stond op en zei tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U? Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. Jezus zei tot hem: Gij hebt het gezegd.”

Mattheüs 26:59-64

Dat was nu precies wat ze altijd al hadden willen horen. De Zoon van de levende God. Dit was dé Godslastering bij uitstek, een doodzonde, waar de doodstraf op stond. De Hogepriester ging helemaal in de fout, toen hij als teken van rouw, zijn kleren scheurde. Dat was voor de Hogepriester strikt verboden. Maar daar had niemand het over. Maar de Joodse Raad had zijn zin, ze konden Hem nu laten executeren. Maar dit was niet het einde van het verhaal! Wat gebeurde er bij de Opstanding?

“Door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here.”

Romeinen 1:4

Eigenlijk hadden ze met Jezus van Nazareth definitief afgerekend. Tenminste, dat dachten ze. Is het vandaag voor velen niet precies hetzelfde? Velen hebben met Hem afgerekend, ze hebben Hem uit hun leven verbannen. Voorlopig is het rustig. Ja, voorlopig. Er is al eerder op gewezen, dat zelfs in de kerk wordt gehoord, dat God niet bestaat. Als God niet bestaat, kan Hij dus ook geen Zoon hebben. Dan kan Hij niet sterven aan het kruis op Golgotha, dan kan Hij op de Paasmorgen niet opstaan uit de doden. Wat is daarvan de logische consequentie? Wat zegt Gods woord daar over?

“En indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.”

1 Korintiërs 15:17-18

Dan is alles verloren. Maar het is gelukkig niet zo. Aan de andere kant wordt we overspoeld met reclames op de televisie, in kranten en folders van alles wat met Pasen toch vooral moeten eten, kopen en uitgaan om het, ja tot wat te maken? In deze tijd van crisis, van toenemende werkeloosheid, noem maar op, is het toch goed om even te onderbreken. En dat is zo. Maar daar is het geen Pasen voor. O ja, iemand heeft bedacht, dat we toch eigenlijk elkaar weer Paaskaarten moeten gaan sturen. Waarom? Kassa! Pasen is overal goed voor, als het maar geld oplevert. Maar over de Opstanding is het oorverdovend stil. Er is immers met Jezus van Nazareth afgerekend, denkt men. We leven in de eindtijd. Eens maakte de Here Jezus een opmerking over die tijd, Hij zei:

“Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”

Lucas 18:8

In sommige vertalingen staat of Hij dan nog geloof op aarde zal vinden. Wat dat betreft hebben we niet te klagen. De wereld krioelt van geloof in alle soorten en maten. Maar het gaat om het Bijbels geloof. En hoe staat het er vandaag bij? In veel gevallen is het Christelijk geloof gereduceerd tot een cultureel verschijnsel. De vorm is overgebleven, de inhoud is verdwenen. Zoals eerder in de overdenkingen is aangegeven, het wordt hoog tijd, dat de gelovigen, de Christenen, op de knieën gaan. De Christen, die nadenkt over wat zich vandaag in de samenleving afspeelt, kan hier alleen maar voor gaan bidden. We kunnen de omstandigheden niet naar onze hand zetten. Wat dat betreft zij we machteloos. Maar er wordt veel te weinig gebruik gemaakt van het wapen, dat de gelovige heeft. Maken we er gebruik van of ligt het te roesten bij onze geestelijke wapenrusting? Op alle mogelijke manieren wordt geprobeerd mensen met het Evangelie te bereiken. Cursussen, workshops, seminars, toeters en bellen. Hier en daar wordt misschien iemand gewonnen. Hoeveel hypes zijn er in de loop der jaren al gepasseerd. En wat heeft het gebracht? Het probleem is, dat met veel inzet alles uit de kast gehaald wordt, maar het moet vooral zonder eelt op de knieën. En dat werkt niet. Dat heeft nog nooit gewerkt. Vandaag is het Paasmorgen, de Opstanding van de Levensvorst. Hij zonderde hele nachten af voor gebed. Als Hij dat nodig vond, wat doen wij dan? Zou het niet goed zijn om onze dagindeling te veranderen en ruimte te maken voor gebed? Dan kan het echt Pasen worden, als de Opstandingskracht doorbreekt in de levens van Gods kinderen. Daar moet het beginnen. Opwekking begint niet in de wereld, maar in Gods Huis. Als het daar niet verandert, is er voor de wereld geen hoop. Dan staat Pasen wel op de kalender, maar de Opgestane Heer, Gods Zoon, Jezus Christus blijft de grote afwezige. Het kan anders, dan moet het anders. Zo leert Gods Woord het in het Oude en in het Nieuwe Testament. De Kerkgeschiedenis staat er vol van. Daarom: op de knieën in gebed, totdat God antwoordt. En HIJ doet het.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Noodkreet

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:9

Schriftlezing

“De Israëlieten vergrepen zich evenwel aan het gebannene, doordat Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, iets wegnam van het gebannene. Toen ontbrandde de toorn des Heren tegen de Israëlieten. Jozua nu zond mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, oostelijk van Betel, en zei tot hen: Trekt op en verkent het land. Toen trokken die mannen op en verkenden Ai. Daarop kwamen zij tot Jozua terug en zeiden tot hem: Het gehele volk behoeft niet op te trekken, laten ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; vermoei niet het gehele volk door een tocht daarheen, want zij zijn daar weinig talrijk. Zo trokken van het volk ongeveer drieduizend man daarheen; zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht. Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water. En Jozua scheurde zijn klederen en wierp zich op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heren tot aan de avond, hij en de oudsten van Israël, terwijl zij zich stof op het hoofd strooiden. En Jozua zei: Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen? Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. IK zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:1-12

“Toen liet Jozua des morgens vroeg Israël volgens zijn stammen aantreden, en de stam Juda werd aangewezen. Toen hij de geslachten van Juda liet aantreden, wees Hij het geslacht der Zarchieten aan, en toen hij het geslacht der Zarchieten liet aantreden, man voor man, werd Zabdi aangewezen. Toen hij diens familie liet aantreden man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach uit de stam Juda. En Jozua zei tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de Here, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis; vertel mij toch wat gij gedaan hebt, verberg het niet voor mij. Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik ben het, die gezondigd heeft tegen de Here, de God van Israël, want zo en zo heb ik gehandeld: ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan. Toen zond Jozua boden, die zich naar de tent spoedden, en zie: het was in zijn tent verborgen, het zilver onderaan; en zij haalden het uit de tent, brachten het bij Jozua en al de Israëlieten, en stortten het uit voor het aangezicht des Heren. Daarop nam Jozua, tezamen met geheel Israël, Achan, de zoon van Zerach, en het zilver, de mantel en de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en kleinvee, zijn tent en al wat hem toebehoorde, en zij voerden hen naar het dal Achor. En Jozua zei: Zoals gij ons in het ongeluk hebt gestort, zal de Here u op deze dag in het ongeluk storten. Toen stenigde heel Israël hem, en men verbrandde hen met vuur, en wierp stenen op hen.”

Jozua 7:16-26

Boodschap

Het Oude Testament bevat leerzame lessen voor het geestelijk leven voor de gelovige. In onze geïndividualiseerde samenleving moeten we goed opletten, dat de gelovige deel van een geloofsgemeenschap uitmaakt. We hebben een persoonlijke maar ook collectieve verantwoordelijkheid. Het gaat niet maar om het “ikke,” voor gelovigen gaat het ook om het “ons.” Dit principe komt heel duidelijk in dit hoofdstuk naar voren. Voor de inname van Jericho had God duidelijke instructies aan Israël gegeven. Van de oorlogsbuit mochten zij niets voor zichzelf houden. Maar Achan kon de verleiding niet weerstaan kostbare voorwerpen zijn tent binnen te smokkelen en daar te begraven. Hiermee maakte hij een geweldige kortsluiting, die aan 36 Israëlieten het leven kostte. Het ging niet slechts om zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, maar het raakte heel het volk. Hij heeft niet bij de collectieve verantwoordelijkheid stilgestaan. In ons moderne denken hebben we daar wel moeite mee. De gelovige moet kiezen of hij vindt dat het wel kan, of dat hij aan Gods Woord gehoorzaam moet zijn. Dit principe staat voor de gelovige ook vandaag nog altijd recht overeind. Het gevolg van zijn diefstal stortte Israël in de ellende. Jozua, die nu pas de nieuwe leider geworden was, zat in zak en as. Vandaag zeggen we: hij zag het niet meer zitten. Hij zag de totale nederlaag van Israël op zich afkomen. Zij noodkreet was dan ook:

“Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:7-9

Het begon zo goed, maar nu was alles verkeken. Wat was er aan de hand? God liet hem niet op het antwoord wachten:

“Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:10-12

Met andere woorden zei God: Stel je niet zo aan, Israël, (het collectief) heeft het gebod overtreden. Als je dit niet oplost, kun je het vergeten. Ik ga niet verder met jullie. Daarop liet Jozua het volk aantreden en werd uitgezocht, wie dit op zijn geweten had. Het bleek Achan te zijn. Het van God gestolen goed werd in zijn tent gevonden en hij bekende. Dan volgt er voor ons moderne denken opnieuw een hersenbreker. Achan werd met alles wat hij had, vrouw en kinderen, zijn vee, zijn tent en de gestolen goederen, gestenigd en alles werd daarna met vuur verbrand. Laten we maar eerlijk zijn, hier kunnen wij geen weg mee. Wat konden zijn vrouw en kinderen er aan doen? Wij vinden, dat dit niet kan. Maar God vond dat het zo moest. Dan komt de vraag naar boven, kennen wij God eigenlijk wel? Welk beeld hebben van HEM? Willen wij bepalen hoe God moet zijn, wat Hij wel of niet moet doen? Ik denk, dat hier ons probleem zit.

God zei ooit, laat Ons mensen maken. We leven in een wereld, waar de mensen hun eigen god of goden maken. Hij moet zijn en doen, zoals wij willen. Maar zo werkt het niet. Om het eens ouderwets te zeggen: wat ons ontbreekt is de vreze des Heren. Dan heb ik het niet over de God met het vingertje. Dat is tekort door de bocht. Met deze uitdrukking wordt bedoeld het diepe respect voor God. Zijn wij van plan om voor Hem te buigen, voor wat Hij zegt en doet, ook al begrijpen we het niet? Op dit punt hebben we nog veel huiswerk te doen. Hoe staat het met onze collectieve verantwoordelijkheid tegenover mede christenen? Gelovigen moeten niet denken, niemand weet hier iets van, zelfs mijn eigen vrouw niet. Creatief zakendoen, dingetjes regelen. Geen haan, die er naar kraait. Zou dit een reden kunnen zijn, dat gelovigen niet serieus worden genomen? We laden toch alstublieft geen collectieve schuld op onze geloofsgemeenschap! Denken we er wel eens over na, hoe het toch zou komen, dat het allemaal zo moeilijk of slecht in kerk en gemeente gaat?

Ligt er collectieve schuld waar de ander niet van weet? Schuld, die Gods zegen tegenhoudt? De situatie van Jozua was bedreigend. Is onze situatie dat ook niet? We moeten niet wegkruipen achter het argument, dat de tijden veranderd zijn. Dit is onzin. De tijd doet het niet, de mensen doen het en ze zijn er verantwoordelijk voor. Wij zijn verantwoordelijk. De wereld lacht om ons, collectief. Op alle mogelijke manieren proberen we mensen met het Evangelie te bereiken, maar we moeten er geen eelt van op onze knieën krijgen. Dat vooral niet. In het algemeen is het probleem, er wordt niet volhardend, aanhoudend gebeden. Verder hoeven we niet te zoeken. Misschien is er een bidstond, Van het woord “stonde.” Dat is een uur. Er wordt gezongen, er wordt gelezen, er worden ervaringen uitgewisseld. Daar is niets mis mee. Maar het moet allemaal binnen dat uur.

Hoeveel tijd blijft er dan over voor het gebed? Als we er echt de tijd voor nemen om God te vragen, waarom de dingen gaan zoals ze gaan, zal Hij niet wachten om ons te laten weten, wat er aan de hand is. De ban moet uit ons midden verwijderd worden. Zijn er verborgen zaken, die het geestelijk leven persoonlijk en in de gemeente blokkeren? Intussen begrijpt niemand waarom het allemaal zo moeizaam gaat. Er moet schoon schip gemaakt worden. Daarbij hoeven vandaag geen doden te vallen, hoogstens gezichtsverlies. Als de (verborgen) struikelblokken opgeruimd worden, komen er stromen van zegen. Waar wachten we op? Geen gepraat, geen diplomatie, geen gepolder: op de knieën! Als we dan bidden: “En wat zult u dan voor uw grote Naam doen?” krijgen we het antwoord.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Aanslag

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart.”

Genesis 6:5-6

Schriftlezing

“Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Here zei: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des Heren. Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God. En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toen zei God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken. Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u. En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden. En gij, neem u van alle voedsel, dat gegeten wordt, en verzamel het bij u, opdat het voor u en voor hen tot spijze zij. En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij.”

Genesis 6:5-22

Boodschap

Deze week staan radio en televisie bol van berichtgeving over een terroristische aanslag in Amsterdam. We dachten tot nog toe, dat het allemaal nogal meegevallen was. Nee dus. Wat het allemaal inhoudt weten we nog niet, maar opwekkend is het bericht niet. En zoals altijd: er is niets nieuws onder de zon. In de eerste hoofdstukken van de Bijbel lezen we al over geweld. In Noachs tijd was de aarde vol van geweld. Mensen hebben van het begin af verkeerde dingen gedaan, maar als het om geweld gaat, wordt bij God de uiterste grens van Zijn geduld overschreden. Gods reactie was: “zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.” Door de zondvloed maakte God een einde aan de anarchie. Sommige wijsneuzen beweren, dat er nooit een zondvloed heeft plaatsgevonden. Ja, plaatselijk misschien maar niet wereldwijd. Voor hen heb ik een vraag.

In de jaren 90 was ik predikant in Franche Comté tegen de Zwitserse grens. De gastvrouw van de Bijbelstudiegroep was lid van de gemeenteraad geweest. Ze vertelde, dat er een nieuwe weg aangelegd moest worden. Het is een bergachtig gebied. Er moesten bulldozers aan te pas komen. Tot ieders verbazing stootten de machines op metersdikke lagen schelpen. Als de zondvloed niet meer was dan een lokale overstroming, kan iemand mij dan uitleggen hoe deze schelpen op 900 km. van de Atlantische Oceaan op 400 meter hoogte terecht zijn gekomen?

Ik geloof eerder mijn Bijbel dan de mening van een wijsneus, die er niet bij geweest is. De wereldwijde zondvloed laat duidelijk zien hoe God geweld veroordeelt en uitbant.

De berichtgeving gonst van dreigingen en aanslagen van geweld. In bussen en treinen, op scholen, in grote winkels. Allerlei overheidsdiensten zijn in touw. Het liep met een sisser af, dit keer wel. Mensen worden in eigen woning overvallen, op straat beroofd. Zo komt het heel dicht bij. Iedereen weet, dat het op andere plaatsen nog veel erger is. Het lijkt met de dag erger te worden. Het is dweilen met de kraan open. En wat zeggen de kerken? Van die kant heerst een oorverdovende stilte. Heeft de kerk van vandaag geen boodschap voor de samenleving? Zou het niet zinvol zijn als er een Herderlijk Schrijven kwam? Met gevaar voor eigen vrijheid en leven lazen predikanten tijdens de oorlog soms namens de hele kerk een Herderlijk Schrijven voor in de gemeente. Waarom zwijgen vandaag al die kerken en gemeenten over de situatie, die ons allen aangaat? Nee, men wil niet terug naar vroeger. Dat alstublieft niet. Dat ruikt naar spruitjes. De samenleving is volwassen geworden. Dat is te merken. Maar toen de mensen zogenaamd nog niet volwassen waren, bestonden deze monsterachtige toestanden niet!

Uit de geschiedenis is bekend, dat in tijden van nood de Overheid het volk opriep tot een dag van gebed. Ja maar, er bestaat nu een scheiding van kerk en staat. Welnu, laat de kerk het dan doen! En als dan niet het hele volk daartoe opgeroepen kan worden, waarom dan de eigen achterban niet? Trouwens, ik dacht dat de kerk een woord voor de wereld had! De protestantse kerken belijden het algemeen priesterschap der gelovigen. De priesterdienst houdt in, dat de priester voor het volk bij God bidt en pleit. Maar dan moet hij of zijn wel eerst recht tegenover God staan. Geen onbeleden zonden. Wanneer is het zover? En als het in kerk of gemeente niet aanslaat, kan de gelovige zich in eigen binnenkamer terugtrekken en bidden. Voor hem en haar is de belofte, dat God het zal vergelden. Hoe en wanneer moeten we aan Hem overlaten. Waar wacht u op? We hebben een verantwoordelijkheid tegenover God en de naaste. We hebben ook de opdracht te bidden voor de Overheid. Doen we dat? Hebt u er ook zo’n moeite mee met wat er in Den Haag wel of niet gedaan wordt? Bij alle dreiging van geweld rolt ook de economische crisis over ons heen. Gevolg van ontembare gierigheid en hebzucht ten koste van wie. Ja, van u en van mij. Wat hebben wij gedaan om die crisis uit te lokken? Daar is geen kruid voor gewassen. De regering zit met de handen in het haar. Voorlopig kot het niet verder dan praten, overleggen en onderhandelen. Het is complex, het heeft tijd nodig. Ik stond erbij en kijk ernaar. Kunnen we als gelovigen dan helemaal niets? De apostel Paulus schreef aan Timotheüs:

“Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen.”

1 Timotheüs 2:1-4

En dat waren gezagsdragers, die de mensen niet zelf hadden gekozen. De Romeinse bezetters, vijanden. Als we vragen wat Gods wil is, dan is hier het antwoord. Maar hoe kan God gebeden verhoren, die niet gebeden worden? We weten maar al te goed, dat wij op eigen houtje de situatie niet kunnen veranderen. Wachten op de volgende verkiezingen en dan…? Dan krijgen we meer van hetzelfde. De Bijbel leert, dat het anders kan; dan moet het ook anders. Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest in antwoord op gebed. Niet met bravour, niet met een houding van, “dat zullen wij eens even doen.” Het kan alleen in eigen machteloosheid, in alle eenvoud. Begint u er anders alstublieft niet aan. Aan Christus is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Ook over de noodsituatie van velen. Het enige wat gelovigen nu kunnen, mogen en moeten doen, is bidden. Zo kan oordeel over geweld afgewend worden. Zo als het nu is kan het niet blijven. Noach heeft de mensen 120 jaar lang gewaarschuwd, maar het hielp allemaal niet. Zou hij het alleen beter weten dan wij met zijn allen? De mensen geloofden het gewoon niet, totdat het gebeurde. Maar het houdt een keer op. Op een bepaald moment zet God er een punt achter. Zijn we vergeten wat Gods Woord ons voorhoudt?

“Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.”

2 Kronieken 7:13-14

Maar kerk en gemeente moeten op de knieën. Als die het niet doen, laten we dan de binnenkamer ingaan. Niemand kan ons tegenhouden als wij vragen, dat er onder de mensen een besef van Gods aanwezigheid en van Zijn heiligheid komt. Dat moet in Gods huis beginnen. We moeten beginnen in eigen leven, in eigen kerk en gemeente, schoon schip te maken. Dan geeft Gods Woord de belofte, waar we Hem aan mogen houden:

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Laten we maar beginnen!

Amen.

~Dr. K. van Berghem