Noodkreet

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:9

Schriftlezing

“De Israëlieten vergrepen zich evenwel aan het gebannene, doordat Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, iets wegnam van het gebannene. Toen ontbrandde de toorn des Heren tegen de Israëlieten. Jozua nu zond mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, oostelijk van Betel, en zei tot hen: Trekt op en verkent het land. Toen trokken die mannen op en verkenden Ai. Daarop kwamen zij tot Jozua terug en zeiden tot hem: Het gehele volk behoeft niet op te trekken, laten ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; vermoei niet het gehele volk door een tocht daarheen, want zij zijn daar weinig talrijk. Zo trokken van het volk ongeveer drieduizend man daarheen; zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht. Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water. En Jozua scheurde zijn klederen en wierp zich op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heren tot aan de avond, hij en de oudsten van Israël, terwijl zij zich stof op het hoofd strooiden. En Jozua zei: Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen? Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. IK zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:1-12

“Toen liet Jozua des morgens vroeg Israël volgens zijn stammen aantreden, en de stam Juda werd aangewezen. Toen hij de geslachten van Juda liet aantreden, wees Hij het geslacht der Zarchieten aan, en toen hij het geslacht der Zarchieten liet aantreden, man voor man, werd Zabdi aangewezen. Toen hij diens familie liet aantreden man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach uit de stam Juda. En Jozua zei tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de Here, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis; vertel mij toch wat gij gedaan hebt, verberg het niet voor mij. Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik ben het, die gezondigd heeft tegen de Here, de God van Israël, want zo en zo heb ik gehandeld: ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan. Toen zond Jozua boden, die zich naar de tent spoedden, en zie: het was in zijn tent verborgen, het zilver onderaan; en zij haalden het uit de tent, brachten het bij Jozua en al de Israëlieten, en stortten het uit voor het aangezicht des Heren. Daarop nam Jozua, tezamen met geheel Israël, Achan, de zoon van Zerach, en het zilver, de mantel en de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en kleinvee, zijn tent en al wat hem toebehoorde, en zij voerden hen naar het dal Achor. En Jozua zei: Zoals gij ons in het ongeluk hebt gestort, zal de Here u op deze dag in het ongeluk storten. Toen stenigde heel Israël hem, en men verbrandde hen met vuur, en wierp stenen op hen.”

Jozua 7:16-26

Boodschap

Het Oude Testament bevat leerzame lessen voor het geestelijk leven voor de gelovige. In onze geïndividualiseerde samenleving moeten we goed opletten, dat de gelovige deel van een geloofsgemeenschap uitmaakt. We hebben een persoonlijke maar ook collectieve verantwoordelijkheid. Het gaat niet maar om het “ikke,” voor gelovigen gaat het ook om het “ons.” Dit principe komt heel duidelijk in dit hoofdstuk naar voren. Voor de inname van Jericho had God duidelijke instructies aan Israël gegeven. Van de oorlogsbuit mochten zij niets voor zichzelf houden. Maar Achan kon de verleiding niet weerstaan kostbare voorwerpen zijn tent binnen te smokkelen en daar te begraven. Hiermee maakte hij een geweldige kortsluiting, die aan 36 Israëlieten het leven kostte. Het ging niet slechts om zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, maar het raakte heel het volk. Hij heeft niet bij de collectieve verantwoordelijkheid stilgestaan. In ons moderne denken hebben we daar wel moeite mee. De gelovige moet kiezen of hij vindt dat het wel kan, of dat hij aan Gods Woord gehoorzaam moet zijn. Dit principe staat voor de gelovige ook vandaag nog altijd recht overeind. Het gevolg van zijn diefstal stortte Israël in de ellende. Jozua, die nu pas de nieuwe leider geworden was, zat in zak en as. Vandaag zeggen we: hij zag het niet meer zitten. Hij zag de totale nederlaag van Israël op zich afkomen. Zij noodkreet was dan ook:

“Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:7-9

Het begon zo goed, maar nu was alles verkeken. Wat was er aan de hand? God liet hem niet op het antwoord wachten:

“Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:10-12

Met andere woorden zei God: Stel je niet zo aan, Israël, (het collectief) heeft het gebod overtreden. Als je dit niet oplost, kun je het vergeten. Ik ga niet verder met jullie. Daarop liet Jozua het volk aantreden en werd uitgezocht, wie dit op zijn geweten had. Het bleek Achan te zijn. Het van God gestolen goed werd in zijn tent gevonden en hij bekende. Dan volgt er voor ons moderne denken opnieuw een hersenbreker. Achan werd met alles wat hij had, vrouw en kinderen, zijn vee, zijn tent en de gestolen goederen, gestenigd en alles werd daarna met vuur verbrand. Laten we maar eerlijk zijn, hier kunnen wij geen weg mee. Wat konden zijn vrouw en kinderen er aan doen? Wij vinden, dat dit niet kan. Maar God vond dat het zo moest. Dan komt de vraag naar boven, kennen wij God eigenlijk wel? Welk beeld hebben van HEM? Willen wij bepalen hoe God moet zijn, wat Hij wel of niet moet doen? Ik denk, dat hier ons probleem zit.

God zei ooit, laat Ons mensen maken. We leven in een wereld, waar de mensen hun eigen god of goden maken. Hij moet zijn en doen, zoals wij willen. Maar zo werkt het niet. Om het eens ouderwets te zeggen: wat ons ontbreekt is de vreze des Heren. Dan heb ik het niet over de God met het vingertje. Dat is tekort door de bocht. Met deze uitdrukking wordt bedoeld het diepe respect voor God. Zijn wij van plan om voor Hem te buigen, voor wat Hij zegt en doet, ook al begrijpen we het niet? Op dit punt hebben we nog veel huiswerk te doen. Hoe staat het met onze collectieve verantwoordelijkheid tegenover mede christenen? Gelovigen moeten niet denken, niemand weet hier iets van, zelfs mijn eigen vrouw niet. Creatief zakendoen, dingetjes regelen. Geen haan, die er naar kraait. Zou dit een reden kunnen zijn, dat gelovigen niet serieus worden genomen? We laden toch alstublieft geen collectieve schuld op onze geloofsgemeenschap! Denken we er wel eens over na, hoe het toch zou komen, dat het allemaal zo moeilijk of slecht in kerk en gemeente gaat?

Ligt er collectieve schuld waar de ander niet van weet? Schuld, die Gods zegen tegenhoudt? De situatie van Jozua was bedreigend. Is onze situatie dat ook niet? We moeten niet wegkruipen achter het argument, dat de tijden veranderd zijn. Dit is onzin. De tijd doet het niet, de mensen doen het en ze zijn er verantwoordelijk voor. Wij zijn verantwoordelijk. De wereld lacht om ons, collectief. Op alle mogelijke manieren proberen we mensen met het Evangelie te bereiken, maar we moeten er geen eelt van op onze knieën krijgen. Dat vooral niet. In het algemeen is het probleem, er wordt niet volhardend, aanhoudend gebeden. Verder hoeven we niet te zoeken. Misschien is er een bidstond, Van het woord “stonde.” Dat is een uur. Er wordt gezongen, er wordt gelezen, er worden ervaringen uitgewisseld. Daar is niets mis mee. Maar het moet allemaal binnen dat uur.

Hoeveel tijd blijft er dan over voor het gebed? Als we er echt de tijd voor nemen om God te vragen, waarom de dingen gaan zoals ze gaan, zal Hij niet wachten om ons te laten weten, wat er aan de hand is. De ban moet uit ons midden verwijderd worden. Zijn er verborgen zaken, die het geestelijk leven persoonlijk en in de gemeente blokkeren? Intussen begrijpt niemand waarom het allemaal zo moeizaam gaat. Er moet schoon schip gemaakt worden. Daarbij hoeven vandaag geen doden te vallen, hoogstens gezichtsverlies. Als de (verborgen) struikelblokken opgeruimd worden, komen er stromen van zegen. Waar wachten we op? Geen gepraat, geen diplomatie, geen gepolder: op de knieën! Als we dan bidden: “En wat zult u dan voor uw grote Naam doen?” krijgen we het antwoord.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Aanslag

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart.”

Genesis 6:5-6

Schriftlezing

“Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Here zei: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des Heren. Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God. En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toen zei God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken. Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u. En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden. En gij, neem u van alle voedsel, dat gegeten wordt, en verzamel het bij u, opdat het voor u en voor hen tot spijze zij. En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij.”

Genesis 6:5-22

Boodschap

Deze week staan radio en televisie bol van berichtgeving over een terroristische aanslag in Amsterdam. We dachten tot nog toe, dat het allemaal nogal meegevallen was. Nee dus. Wat het allemaal inhoudt weten we nog niet, maar opwekkend is het bericht niet. En zoals altijd: er is niets nieuws onder de zon. In de eerste hoofdstukken van de Bijbel lezen we al over geweld. In Noachs tijd was de aarde vol van geweld. Mensen hebben van het begin af verkeerde dingen gedaan, maar als het om geweld gaat, wordt bij God de uiterste grens van Zijn geduld overschreden. Gods reactie was: “zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.” Door de zondvloed maakte God een einde aan de anarchie. Sommige wijsneuzen beweren, dat er nooit een zondvloed heeft plaatsgevonden. Ja, plaatselijk misschien maar niet wereldwijd. Voor hen heb ik een vraag.

In de jaren 90 was ik predikant in Franche Comté tegen de Zwitserse grens. De gastvrouw van de Bijbelstudiegroep was lid van de gemeenteraad geweest. Ze vertelde, dat er een nieuwe weg aangelegd moest worden. Het is een bergachtig gebied. Er moesten bulldozers aan te pas komen. Tot ieders verbazing stootten de machines op metersdikke lagen schelpen. Als de zondvloed niet meer was dan een lokale overstroming, kan iemand mij dan uitleggen hoe deze schelpen op 900 km. van de Atlantische Oceaan op 400 meter hoogte terecht zijn gekomen?

Ik geloof eerder mijn Bijbel dan de mening van een wijsneus, die er niet bij geweest is. De wereldwijde zondvloed laat duidelijk zien hoe God geweld veroordeelt en uitbant.

De berichtgeving gonst van dreigingen en aanslagen van geweld. In bussen en treinen, op scholen, in grote winkels. Allerlei overheidsdiensten zijn in touw. Het liep met een sisser af, dit keer wel. Mensen worden in eigen woning overvallen, op straat beroofd. Zo komt het heel dicht bij. Iedereen weet, dat het op andere plaatsen nog veel erger is. Het lijkt met de dag erger te worden. Het is dweilen met de kraan open. En wat zeggen de kerken? Van die kant heerst een oorverdovende stilte. Heeft de kerk van vandaag geen boodschap voor de samenleving? Zou het niet zinvol zijn als er een Herderlijk Schrijven kwam? Met gevaar voor eigen vrijheid en leven lazen predikanten tijdens de oorlog soms namens de hele kerk een Herderlijk Schrijven voor in de gemeente. Waarom zwijgen vandaag al die kerken en gemeenten over de situatie, die ons allen aangaat? Nee, men wil niet terug naar vroeger. Dat alstublieft niet. Dat ruikt naar spruitjes. De samenleving is volwassen geworden. Dat is te merken. Maar toen de mensen zogenaamd nog niet volwassen waren, bestonden deze monsterachtige toestanden niet!

Uit de geschiedenis is bekend, dat in tijden van nood de Overheid het volk opriep tot een dag van gebed. Ja maar, er bestaat nu een scheiding van kerk en staat. Welnu, laat de kerk het dan doen! En als dan niet het hele volk daartoe opgeroepen kan worden, waarom dan de eigen achterban niet? Trouwens, ik dacht dat de kerk een woord voor de wereld had! De protestantse kerken belijden het algemeen priesterschap der gelovigen. De priesterdienst houdt in, dat de priester voor het volk bij God bidt en pleit. Maar dan moet hij of zijn wel eerst recht tegenover God staan. Geen onbeleden zonden. Wanneer is het zover? En als het in kerk of gemeente niet aanslaat, kan de gelovige zich in eigen binnenkamer terugtrekken en bidden. Voor hem en haar is de belofte, dat God het zal vergelden. Hoe en wanneer moeten we aan Hem overlaten. Waar wacht u op? We hebben een verantwoordelijkheid tegenover God en de naaste. We hebben ook de opdracht te bidden voor de Overheid. Doen we dat? Hebt u er ook zo’n moeite mee met wat er in Den Haag wel of niet gedaan wordt? Bij alle dreiging van geweld rolt ook de economische crisis over ons heen. Gevolg van ontembare gierigheid en hebzucht ten koste van wie. Ja, van u en van mij. Wat hebben wij gedaan om die crisis uit te lokken? Daar is geen kruid voor gewassen. De regering zit met de handen in het haar. Voorlopig kot het niet verder dan praten, overleggen en onderhandelen. Het is complex, het heeft tijd nodig. Ik stond erbij en kijk ernaar. Kunnen we als gelovigen dan helemaal niets? De apostel Paulus schreef aan Timotheüs:

“Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen.”

1 Timotheüs 2:1-4

En dat waren gezagsdragers, die de mensen niet zelf hadden gekozen. De Romeinse bezetters, vijanden. Als we vragen wat Gods wil is, dan is hier het antwoord. Maar hoe kan God gebeden verhoren, die niet gebeden worden? We weten maar al te goed, dat wij op eigen houtje de situatie niet kunnen veranderen. Wachten op de volgende verkiezingen en dan…? Dan krijgen we meer van hetzelfde. De Bijbel leert, dat het anders kan; dan moet het ook anders. Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest in antwoord op gebed. Niet met bravour, niet met een houding van, “dat zullen wij eens even doen.” Het kan alleen in eigen machteloosheid, in alle eenvoud. Begint u er anders alstublieft niet aan. Aan Christus is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Ook over de noodsituatie van velen. Het enige wat gelovigen nu kunnen, mogen en moeten doen, is bidden. Zo kan oordeel over geweld afgewend worden. Zo als het nu is kan het niet blijven. Noach heeft de mensen 120 jaar lang gewaarschuwd, maar het hielp allemaal niet. Zou hij het alleen beter weten dan wij met zijn allen? De mensen geloofden het gewoon niet, totdat het gebeurde. Maar het houdt een keer op. Op een bepaald moment zet God er een punt achter. Zijn we vergeten wat Gods Woord ons voorhoudt?

“Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.”

2 Kronieken 7:13-14

Maar kerk en gemeente moeten op de knieën. Als die het niet doen, laten we dan de binnenkamer ingaan. Niemand kan ons tegenhouden als wij vragen, dat er onder de mensen een besef van Gods aanwezigheid en van Zijn heiligheid komt. Dat moet in Gods huis beginnen. We moeten beginnen in eigen leven, in eigen kerk en gemeente, schoon schip te maken. Dan geeft Gods Woord de belofte, waar we Hem aan mogen houden:

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Laten we maar beginnen!

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Gebed

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Mattheüs 6:6

Schriftlezing

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden. Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.”

Mattheüs 7:7-12

Boodschap

Deze keer is de Schriftlezing kort. Maar er valt veel om over na te denken. Het gaat over het gebed. Er valt heel wat te zeggen over het gebed. Bidden is niet een gebed opzeggen. Als we: “Here zegen deze spijze, amen” of alleen maar het Onze Vader, gebeden hebben, is daarmee niet alles gezegd. Gebed houdt heel wat meer in. Het is het persoonlijk contact met God de Vader door onze Here Jezus Christus. Alleen door Hem hebben we toegang tot de Vader. We mogen dan ook bidden in Zijn Naam. Het betekent eigenlijk, dat we op gezag van Zijn Naam bij de Vader mogen aankloppen. Bidden is de intieme, de vertrouwelijke relatie met God. Het thema is dan ook, “ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene.” Wat daar door de bidder tegen God gezegd wordt, of aan Hem gevraagd wordt, heeft niemand mee te maken. Dat is strikt vertrouwelijk. Maar wij zijn gezelschapsmensen. We houden er niet van alleen te zijn. We houden niet zo van de stilte. We willen ook niet ongezellig zijn. Nu hoeft dat natuurlijk ook niet, maar hoe komt het over als je zou zeggen, ik wil bidden, ik ga even weg? Het kost moeite, we moeten er wat voor opofferen om dat te doen. Maar zegt de tekst, “uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” Het staat er zo opvallend: “ga in de binnenkamer en doe de deur dicht.”

Voordeel is, dat we dan niet afgeleid worden. Maar je bent ook vrij om alles te zeggen wat je op je hart hebt. Ook het voorbeeld van de Here Jezus leert ons iets:

“En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.”

Mattheüs 14:23

Misschien staan we er niet bij stil. Maar in welke houding bidden we? Er zijn meerdere teksten in het Oude en in het Nieuwe Testament, die er iets over zeggen. Ik noem er twee.

“Treedt toe, laten wij ons nederwerpen en ons buigen, knielen voor de Here, onze Maker; want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat Hij weidt, de schapen zijner hand. Och, of gij heden naar zijn stem hoordet!”

Psalm 95:6-7

De Psalmdichter geeft niet alleen aan, dat we behoren te knielen, maar hij zegt ook waarom: God is onze Maker, Hij is onze God. Ook het Nieuwe Testament geeft voorbeelden. De apostel Paulus schreef:

“Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt.”

Efeziërs 3:14-15

Ik ken een Gemeente waar de ouderlingen op de knieën gaan voordat de dienst begint en die aan God opdragen. Na de dienst knielen ze weer om God te danken voor ontvangen zegen. Weten we niet van Godsmannen, die twee afdrukken van hun knieën in de vloer achterlieten, de plaats waar ze gewoon waren te bidden. Zijn wij niet al te geëmancipeerd om gewoon te blijven zitten als we bidden? De Here Jezus zocht de stilte. En wat is dan bidden? We hebben het net gelezen:

“Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Bidden is ontvangen. Nou nou, zal iemand zeggen, dat ken ik wel anders. Was dat maar waar! De apostel Johannes schreef er over:

“Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht.”

1 Johannes 3:21-22

Bidden is niet een verlanglijstje inleveren. Het vraagt een bepaalde instelling. Is er geen belemmering voor gebedsverhoring? Kan er onbeleden zonde in ons leven zijn? Dat is een belemmering, die gebedsverhoring kan blokkeren. Wat doen we daarmee? De apostel Johannes wees daarvoor de weg:

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”

1 Johannes 1:9

En dan is er nog iets. Zonde, onenigheid in de Gemeente kan ook de gebedsverhoring voor genezing in de weg staan:

“Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:16

Mensen zijn wonderlijke wezens. We durven wel God om vergeving vragen, maar aan een broeder of zuster in de Gemeente, dat lukt niet. Waarom niet? We zijn zo bang voor gezichtsverlies. Is dat belangrijk? Ja, het is heel belangrijk, het blokkeert het geestelijk leven in de gemeenschap. Dat valt niet altijd op. Behalve bestaande zonde wordt er dan nog een aan toegevoegd. Tijdens een Avondmaalsdienst wees ik er eens op. Ineens stond een jongeman op. Hij voelde zich niet vrij om aan het Avondmaal deel te nemen. Hij liep naar de andere kant van de zaal. Daar zat iemand, met wie hij een probleem had. Hij ging er heen om vergeving te vragen. Wat dacht u? Dat is Gemeenteleven. Geen kerkje spelen, maar doen wat Gods Woord zegt. Het komt aan op onze geestelijke gesteldheid. Dat wij bidden zoals God het wil, naar Zijn wil bidden. Niet om iets bidden, dat in strijd met Zijn Woord is.

“En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden.”

1 Johannes 5:14-15

De apostel Jacobus deed een harde uitspraak:

“Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.”

Jacobus 4:2-3

“Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand.”

1 Korintiërs 14:15

Als we om iets bidden, moeten we ons ook afvragen of Gods Naam er ook door verheerlijkt wordt. Dat heeft te maken met Zijn wil en met de gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Ja maar, zal iemand zeggen, ik heb niet gebeden om iets, dat tegen Gods Wood ingaat. Maar toch verhoort God mijn gebed niet. Dat kan niet. God verhoort alle gebeden. Maar, soms moeten we wachten, omdat God oordeelt, dat het niet nú moet. Het kan ook zijn, dat God niet geeft, wat we vragen omdat het niet goed voor ons is. Op dat moment begrijpen we het vaak niet. Later wordt het duidelijk, soms pas jaren later. Dan blijkt, dat we Hem alleen maar kunnen danken, dat God ons niet heeft gegeven, waar we om vroegen. En hoe vaak moeten we dan bidden? We zitten vaak in de knoop met onze agenda. We hebben het zo druk. Misschien zijn we bezig met echt goede dingen. Maar, zouden we er niet eens over nadenken, of we het goede soms niet moeten laten staan voor het betere? Dat vraagt iets van ons, misschien wel iets moeilijk zelfs. Maar in de geestelijke strijd, waarin we als gelovigen, staan geldt:

“En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

Efeziërs 6:18

Soms moeten we die gelegenheid zelf maken. De apostel Paulus schreef:

“bidt zonder ophouden.”

1 Thessalonisenzen 5:17

En als het om de Gemeente gaat krijgen we het Woord mee:

“En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:42-43

En wat gebeurt er dan? Dan gaat God dingen doen, waar we stil van worden. We hebben enig huiswerk te doen.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Brandpunt

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”

Handelingen 4:31

Schriftlezing

“En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend. En het geschiedde tegen de volgende dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun Schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem, en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden; en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten: Door welke kracht of door welke naam hebt gij dit gedaan? Toen zei Petrus, vervuld met de heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten, indien wij thans in verhoor genomen worden ter zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor u staat. Dit is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden. En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden. Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren; en daar zij de genezene bij hen zagen staan, konden zij er niets tegen inbrengen. En na hun geboden te hebben buiten de raadzaal te gaan, overlegden zij met elkander, en zij zeiden: Wat moeten wij met deze mensen beginnen? Want dat er een kennelijk wonderteken door hen verricht is, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen; maar om te voorkomen, dat het nog meer onder het volk verbreid wordt, laat ons hun dreigend gebieden tot niemand meer te spreken op gezag van deze naam. En toen zij hen binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus. Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven; want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben. Maar zij dreigden nog meer, doch lieten hen vrij, daar zij geen vorm konden vinden om hen te straffen – en wel om het volk; want allen verheerlijkten God om hetgeen er geschied was; want de mens, aan wie dit teken der genezing verricht was, was boven de veertig jaar. En toen zij vrijgelaten waren, gingen zij naar de hunnen en deelden hun mede al wat de overpriesters en oudsten tot hen gezegd hadden. En toen dezen het hoorden, verhieven zij eenparig hun stem tot God en zeiden: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is; die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen de Here en tegen zijn Gezalfde. Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël, om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou. En nu, Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus. En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”

Handelingen 4:1-31

Boodschap

Het spreekwoord zegt: Als God Zijn kerk bouwt, bouwt Satan zijn kapel ernaast. Zo was het ook hier. Het ging zo goed in en met de Gemeente, dat de gevestigde orde er tegen in opstand kwam. Met grote ergernis hoorden de geestelijke leiders van wonderen en tekenen. Toen een zieke in de Tempel genezen werd, was de maat vol. Ze lieten de apostelen arresteren. De volgende dag werden ze verhoord. De leiders werden niet alleen tegengesproken, maar stonden zelfs met de mond vol tanden. Het enige wapen, dat ze hadden was een dreigement. Maar dat hielp niet. Na overleg achter gesloten deuren nam de dreiging alleen maar toe. Ook dat hielp niet. Hoe konden Petrus en Johannes standhouden? Ze stonden op het fundament van Handelingen 2:42.

“En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.”

Handelingen 2:42

Dat is de Opstanding van de Here Jezus, de gemeenschap, het Avondmaal en het gebed. De uitwerking daarvan was: vrees over alle ziel gevolgd door vele wonderen en tekenen. De leiders kwamen niet verder dan dreigementen. Maar het bleef gevaarlijk; ze voelden zich bedreigd. Toen ze weg mochten gingen ze naar de hunnen en vertelden wat er gebeurd was. Het werd een bidstond. Daar ligt het Brandpunt. Ze beriepen zich op Psalm 2

“Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen de Here en tegen zijn Gezalfde. Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël, om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou. En nu, Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus. En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”

Handelingen 4:25-31

Het geheim is Gebed, voortdurend, aanhoudend gebed. Kan dat vandaag ook nog? Er is een boek over de opeenvolgende Opwekkingen op het eiland Lewis voor de Schotse Westkust. De titel is Sounds from Heaven. De gelovigen die daar wonen vormden een gemeenschap van gebed. Als het over Opwekking gaat, betekent het gebedstrijd. De Schotse gelovigen kwamen vaak bij elkaar in de huizen. Op een avond was er weer zo’n huisbidstond. Behalve de bekende Opwekkingsprediker Duncan Campbell was de ouderling, de dorpssmid, er ook. Het gebed ging moeizaam. De spanning was voelbaar. Er viel een stilte, het ging gewoon niet. Het Brandpunt. De predikant vroeg de smid of hij wilde bidden. Een half uur lang. Wat bad hij dan allemaal? Met grote vrijmoedigheid pleitte hij op Gods beloften. Als het ware wanhopig eindigde hij: “Here, wat doet u voor Uw grote Naam?” Plotseling begon het huis te schudden. Zes meisjes, die op een bank zaten, vielen op de grond. Iedereen dacht aan een aardbeving. Toen ze buiten kwamen bleek, dat er helemaal geen aardbeving geweest was. Het was het begin van weer een nieuwe Opwekking in 1939 en opnieuw in 1949. Gods aanwezigheid was als het ware voelbaar. Iedereen wist: God is hier. Ook de ongelovigen zeiden het. Is dit niet wat we missen? Zonder dat er iets bekendgemaakt was stroomden de kerken vol. Overal waren bidstonden, die soms doorgingen tot in de vroege morgenuren. Het Brandpunt. De mensen wilden niet naar huis. Alle aparte samenkomsten hielden op. Jongeren en ouderen zochten elkaar op. De een om te helpen, de ander om te leren. Hoe kon dit allemaal? Het Brandpunt. Gebed, gebed, gebed. Jong en oud samen in de bidstond. Welke spreker of welke methode moet de mensen van buiten binnenbrengen? Moeten die het doen? Nee, de Gemeente, moet het zelf doen. Er is maar één manier: gebed. Persoonlijk gebed. Hoe lang bidt u elke dag? Gezamenlijk gebed, eenparig. Uit Gods Woord en uit de kerkgeschiedenis en uit onze eigen tijd blijkt, dat het anders kan. En als het anders kan, dan moet het anders! Waar begint het? In het Brandpunt: de bidstond. Daar gaan we niet bidden om spectaculaire dingen, geen sensatie, maar om de wil van God te kennen. Als de Gemeente, de hele Gemeente op haar plaats is, mogen we bidden: Heer, wat doet U voor Uw grote Naam. Dan mogen we het aan Hem overlaten hoe God gaat antwoorden. Als het zo gaat, blijft Zijn antwoord niet uit.

Een ding is duidelijk, de gelovigen werden allen opnieuw vervuld met de Heilige Geest. Dan spreken zij ook met grote vrijmoedigheid over het Woord. En, is er vreugde.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Weeskinderen?

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.”

Johannes 14:18

Schriftlezing

“Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. Thomas zei tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. Filippus zei tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen. Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.”

Johannes 14:1-18

Boodschap

Ja, dat is de toezegging, de belofte van de Here Jezus. Ze werden verrast door een crisis, die ze niet hadden zien aankomen. Ze voelden als het ware de grond onder hun voeten wegzakken. Op dat moment kregen ze de toezegging, dat Hij Zijn discipelen niet als wezen zou achterlaten. Het gold niet alleen voor toen, maar ook voor nu, voor allen, die Hem liefhebben. Dit is een geweldige belofte. Ik moet nog even denken aan 2008. Het kon niet op, de bomen groeiden tot in de hemel. Tenminste, dat dachten veel mensen. Enkele wisten wel beter, maar die zeiden niets. Het jaar eindigde heel anders dan we verwachtten. We zaten ineens in een diepe crisis. Het belooft niet veel goeds. Wat is het dan bemoedigend, als Gods kinderen mogen weten, dat ze niet als wezen achtergelaten worden.

Wat houdt de belofte van de Here Jezus in? Hij zei: “Ik zal de Vader bidden en Hij zal jullie een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij jullie te zijn.” Wie is die andere Trooster? “Dat is de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want die ziet Hem niet en kent Hem niet; maar jullie kennen Hem.” De Heilige Geest. Ja, maar wat heb ik daar aan in een financiële en economische crisis? Dat biedt toch geen houvast! Dit is een heel ander soort crisis! Misschien aardig voor de Zondag, maar in de week kan ik er niets mee.

Maar zo’n crisis is helemaal niet nieuw. Ze zijn er nog, die de crisis van de jaren 30 hebben beleefd. En toen was hij ook al niet nieuw. Vóór 1857 zag het er in Amerika ook al eens heel slecht uit. Het land was in wanhopige situatie. Toen vielen ook al banken om en stortte de business in elkaar. Fabrieken werden gesloten, de treinen reden niet meer, er was massale werkeloosheid. Hoe kwam dat allemaal? Gelovige Christenen hebben ooit de grondslag voor het huidige Amerika gelegd. Latere generaties hebben daarvan de vruchten geplukt. Maar door het Franse Revolutie denken hoefde het geloof voor hen niet meer. Ze waren immers volwassen geworden. Daarmee viel de geestelijke grondslag van de samenleving weg. Er ontstond een grote crisis.

In die stilte van die crisis ging het land de stem van God weer horen. Mensen kwamen tot bezinning. Ze gingen beseffen waar het in het leven echt om ging. Miljoenen mensen kwamen tot geloof. De ethische en maatschappelijke uitwerking ervan duurde een halve eeuw. Toen begon de aftakeling opnieuw. Dat was in 1857.

We zijn nu 150 jaar verder. De les is niet geleerd. Waar zijn de waarden en normen van de Joods-Christelijke samenleving gebleven? Dit patroon herhaalt zich niet alleen elke keer in de geschiedenis van Israël, maar ook in de kerkgeschiedenis en in de moderne samenleving. Daarom heeft elke generatie een Opwekking nodig. Een Bijbelse Opwekking, waarbij de mensen weer weten, dat het leven meer is dan geld verdienen, speculeren en graaien. De grenzeloze hebzucht heeft de samenleving in de crisis gestort. In 2009 is er nood. Die dreigt alleen maar groter te worden.

Mensen hebben het allemaal voor elkaar gekregen. Inderdaad, ze hebben het voor elkaar gekregen, een crisis als nooit tevoren. Tallozen worden in die val meegesleept. Bankgaranties van de Overheid brengen geen oplossing. Opgebouwde zekerheden zijn verdampt. Wat niet verdampt is het Woord van God. Daarin ligt de zin en betekenis van het leven, niet op de Beurs. Voor de gelovigen geldt, dat ze nu meer dan ooit op de knieën moeten gaan.

Hoeveel tijd wordt er per dag aan gebed besteed? Wordt daar geen groot geestelijk kapitaalverlies geleden? Ik had het over Opwekking. Elk boek over Opwekking zegt, dat het altijd en zonder uitzondering begint met gebed. Veel gebed, aanhoudend gebed, volhardend gebed. Er is geen andere weg. Wie die houding aanneemt, wie die weg bewandelt, mag op de belofte van de Here Jezus vertrouwen: “Ik zal u niet als wezen achterlaten.” Dat gold voor de discipelen in hun situatie. Het geldt nog altijd voor gelovigen van vandaag. Het is niet alleen een materiële kwestie. Het is vooral een geestelijke zaak.

Welk fundament ligt er onder ons leven, onder de samenleving? Waar gebed ontbreekt, begint de echte armoede. Op termijn volgt de rest. Ook Christenen zijn kinderen van hun tijd. Ze staan niet buiten de samenleving maar er middenin. Het gaat ook aan hun voordeur niet voorbij. Ook zij worden in die maalstroom meegesleept. Christenen moeten als eersten beseffen, dat er meer is dan Euro’s en Dollars. De Christen mag weten, dat hij geen achtergelaten wees is. We zouden dat zijn rugdekking kunnen noemen. Als opgebouwde zekerheden wegvallen, zoeken mensen een uitweg. Wie of wat kan uitkomst geven? Waar gaat het echt om? Gods Woord en de geschiedenis geven daarvan veel en duidelijke voorbeelden. Maar velen kennen die niet.

Meer dan ooit is er Opwekking nodig. Die moet beginnen bij de gelovigen. Ook al ligt de financiële en de economische crisis in de maatschappij, we moeten ons afvragen of de dieperliggende crisis niet geestelijk is. Voor de gelovigen geldt, dat het oordeel begint bij het Huis Gods. De Gemeente van Christus, die een woord voor de wereld behoort te hebben, moet op de knieën. Dat was ook de les van de vele Opwekkingen, die in de kerkgeschiedenis hebben plaatsgevonden. Ook in de 20e eeuw waren er aanhoudend Bijbels gefundeerde Opwekkingen. Hoe belangrijk die ook waren, wat er ook gebeurde, voor de Pers was het geen nieuws. Maar voor de Gemeente van Christus des te meer. Ook vandaag wordt de gelovige niet als wees achtergelaten. Met die zekerheid draagt hij de verantwoordelijkheid om te bidden voor de geestelijke herleving van de geloofsgemeenschap, voor de Overheid en de samenleving. Ook daar hoort een belofte bij:

“Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Mattheüs 6:6

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Het Onze Vader VI – Vergeving(2)

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.”

Mattheüs 6:14-15

Schriftlezing

“En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.”

Mattheüs 6:5-15

Boodschap

Het is opvallend, hoeveel nadruk in dit gebed op het begrip vergeving gelegd wordt. Het ”Onze Vader” leert de gelovige ook een eigen verantwoordelijkheid nemen. Het gebed is meer dan God vragen om iets. Bidden is niet een boodschappenlijstje indienen van de dingen die we nodig hebben, of denken nodig te hebben. Gebedsverhoring is ook gebonden aan voorwaarden. Soms klagen mensen, dat hun gebed niet verhoord wordt. Elk gebed wordt verhoord. Maar soms zegt God: nee en dan zeggen mensen, dat hun gebed niet verhoord werd. Ze vragen zich dan blijkbaar niet af, hoe dat komt. Ze vragen zich niet af, of het misschien aan henzelf ligt. Soms zegt God “nee” omdat wat we vragen niet goed voor ons is. De gelovige is er zelf verantwoordelijk voor, dat, voor zover het van hem afhangt, dat er niets tussen hem en God in staat. Hier wordt “vergeving” apart genoemd. Eerder in het gebed werd gevraagd om vergeving. Vergeving van zonde heeft met schuld te maken. Zondigen is zichzelf schuldig maken. Mensen vinden soms dat er kleine en grote zonden zijn. Voor God is alle zonde, zonde. Het wezen van de zonde is aantasting van Gods heiligheid. Het is een belediging van God. Dat is het verschrikkelijke van de zonde. Dat valt niet in geld uit te drukken. De Spreukendichter zei in een heel ver verleden:

“Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming.”

Spreuken 28:13

Dit thema wordt ook door de apostel Johannes aangesneden:

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet.”

1 Johannes 1:9-10

We zijn tegenover God niet klaar als we “sorry” zeggen. Die culturele smoes van de “sorry-cultuur” werkt niet. Ik zou haast zeggen : God verstaat geen Engels. Zo krijgen we geen vergeving. Als mensen ons onrecht aandoen, zijn we ook niet tevreden met “sorry.” Dat is te goedkoop. God vraagt van ons, dat we zulk onrecht vergeven. Als we dat niet doen, vergeeft God ons ook niet. Zo lopen veel mensen rond met schuld.

Schuld moet beleden worden. Dat betekent, dat er gezegd wordt, ik heb verkeerd gedaan. Dat er gevraagd wordt, wil je het mij vergeven. Hoeveel schade heb ik veroorzaakt? Die moet vergoed worden. Hoeveel ben ik je schuldig? Maar, behalve dat het zoveel mogelijk wordt vermeden, is het ook gezichtsverlies. En dat willen we niet. Moet ik mijn gezicht tegenover die of die verliezen? Soms kan de schade niet vergoed worden. Maar er moet altijd oprecht berouw getoond worden. Het vreemde is, dat mensen veel gemakkelijker God om vergeving vragen dan aan een naaste.

Als wij vergeving van God willen ontvangen voor wat wij verkeerd gedaan hebben, moeten wij vergeving aan mensen willen geven. Doen we dat niet, hoeven we ook niet op vergeving van God te hopen. Dat legt een druk op ons, of het ons bewust zijn of niet. Koning David had daar ervaring mee. Op een gegeven moment, hield hij het niet meer uit:

“Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welzalig de mens, wie de Here de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag; want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte. Sela Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zei: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden, en U vergaf de schuld mijner zonden. Sela.”

Psalm 32:1-5

Behalve dat er een onopgelost probleem lag tussen David en God, tastte die onbeleden zonde, om het zo maar eens te zeggen, zijn gezondheid aan. Hij wilde er niet mee voor de dag komen. Hij kreeg het niet over zijn lippen om te bekennen, dat hij gezondigd had. Dat hij verkeerd gehandeld had. Hij was zich bewust, dat de relatie met God verstoord was, maar hij wilde niet toegeven. Door ermee te wachten, nam de druk niet af, maar werd steeds groter. Maar die druk werd zo groot, dat hij het niet langer uithield. Hij leed eronder. Sela. Dat wil zeggen: pauze. Denk er eens over na. Als je je geweten geweld aandoet, ga je eronder lijden. Toen nam hij de beslissing, hij zou het dan toch maar belijden.

Zonde, schuld tegenover God of een mens belijden betekent, ja ik ben fout. En dan moet de zonde, die schuld met man en paard genoemd worden. We kunnen niet bidden : Here wilt u mij vergeven alles wat ik verkeerd gedaan heb. Elke zonde wordt als aparte daad bedreven. Die moet ook als aparte daad genoemd en beleden worden. Here U zegt, dat dit zonde is. Ja, Here ik beken, dat het zonde is. Dan mag vergeving gevraagd worden. Wie dan zijn zonde belijdt en nalaat, krijgt vergeving. Zo werkt het tussen God en mens. God bedoelt, dat het zo ook werkt tussen mensen onder elkaar. Als we dit zo tot ons laten doordringen, hebben we nog wat te leren en te doen. Dan moeten we nog wat huiswerk maken.

Zo leert het “Onze Vader” heel wat meer dingen, dan we misschien dachten. Het is iets meer, dan wat ik eens hoorde. Er werd iemand begraven. Men wilde het toch netjes doen. Je kunt de kist toch niet in het graf laten afdalen en weglopen. Het moest toch enigszins plechtig besloten worden. In de verlegenheid van het moment, bad iemand als afsluiting het “Onze Vader.” Dan is het meer een uiting van cultuur dan van geloof. En dat is niet de bedoeling van het “Onze Vader.” Wat is het erg, als mensen het wel kunnen voorlezen of misschien zelfs opzeggen, maar niet begrijpen wat het betekent. Het is een koninklijk gebed, het is het gebed van Gods Koninkrijk: Uw Koninkrijk kome, daar gaat het om. Het “Onze Vader” leert ons hoe wij ons leven moeten inrichten, als we willen, dat God ons gebed verhoort.

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Het Onze Vader V – Verzoeking

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:13

Schriftlezing

“Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.”

Mattheüs 6:9-16

Boodschap

De Here Jezus leerde Zijn discipelen bidden: Leid ons niet in verzoeking. In de Jacobusbrief lezen we:

“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”

Jacobus 1:13

Het lijkt er op, dat de Bijbel zichzelf hier op grond van de Griekse grondtekst tegenspreekt. We geloven, dat Gods Woord in de originele geschriften door Hemzelf geïnspireerd werd. Dan kan er geen tegenspraak zijn. Omdat het er wel op lijkt, dat dit gebeurt, is de vraag hoe het komt. Er zijn heel veel en ook zeer oude documenten met Nieuwtestamentische tekstgedeeltes. De Here Jezus en Zijn discipelen spraken Aramees. Er bestaat een Aramese vertaling van Mattheüs-evangelie met daarin het “Onze Vader.” Omdat dit gebed in dichtvorm geschreven werd, was het makkelijk om uit het hoofd te leren. Daarin staat een ander woord voor “verzoeking.” Het kan het best vertaald worden met “beproeving.” De Bijbel spreekt zichzelf dus niet tegen. God stelt Zijn kinderen op de proef. Hij doet het met de bedoeling, dat ze door de “beproeving” er sterker uitkomen en zij Hem en Zijn Woord beter leren kennen. Beproeving is voor ons bestwil, maar we hebben er allemaal moeite mee. We kunnen het er warm van krijgen. Liever niet, zeggen we dan. De apostel Petrus schreef:

“Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkomt.”

1 Petrus 4:12

God beproeft ons en laat moeilijkheden in ons leven toe, zodat we er geestelijk beter van worden. Maar zo ervaren we dat dikwijls niet. We kunnen het ervaren als verlies, door mensen of dingen, die je kwijt raakt. Waar was dat nou voor nodig, vragen we dan.

We kunnen het alleen, en dan nog maar gedeeltelijk, beoordelen met de kennis die we hebben. We proberen het in te passen in onze visie op de toekomst. Maar die kennen we toch niet! Ik herinner mij een voorval van lang geleden. Nu bestaat er bescherming voor huurders, die kunnen niet zo maar uit hun woning gezet worden. Voor de oorlog, was dat anders. De huisbaas belde aan en zei dat je de woning moest verlaten. En dan ging je. Daar was niets aan te doen. Ook ons overkwam het. Als kind was ik woedend. Wat gebeurde er? Tijdens de oorlog werd het huis met een raket met de grond gelijkgemaakt. En wat doe je dan? Dan dank je de Heer, dat je uit je huis gezet werd. Wat eerst als onrecht werd ervaren, bleek later een zegen te zijn. In dit geval, werden we beproefd en in afhankelijkheid dichter naar God toe getrokken. En toen? Hij voorzag in een woning, die veel beter was! Maar het is niet altijd zo duidelijk. Het kan zelfs zo zijn, dat we dit een levenlang niet begrijpen. En ook dat dragen we met ons mee. Eens zullen we het weten, maar nu niet.

Als God ons beproeft, is het voor ons bestwil, het gaat er om of we Hem vertrouwen. Willen, durven we het probleem loslaten? Kunnen we zover komen, dat we bidden: “Uw wil geschiede?” We willen zo graag het heft in handen houden, zelf bijsturen. Maar voor een gelovige werkt het zo niet. Vroeger zongen we “Al uwe lasten, ’t zij licht of zwaar, breng ze bij Jezus, en laat ze daar.” En wat doen we dan? Als we Amen gezegd hebben, slepen we het probleem weer mee en tobben verder.

We gaan door de leerschool om geestelijk volwassen te worden. Maar tijdens het leerproces, moeten we nog ergens mee rekenen. Behalve de beproeving is er ook de verzoeking. God verzoekt niemand, dat komt ergens anders vandaan. Het “Onze Vader” bidt ook, “verlos ons van de Boze.” Dat is onze tegenstander. Ook hij komt bij ons langs. Hij verzoekt ons. Wat is zijn bedoeling, wat wil hij? Dat we vallen. Satan is de mensenmoorder van den beginne. Het begon al in het Paradijs. Hij was er op uit om onze ouders te laten vallen, en het gebeurde. Waarom? Omdat ze dachten de zaakjes zelf wel te kunnen regelen. Wij zijn onvolmaakte mensen. Zij waren volmaakt. Ze bezweken voor een leuke aanbieding. Hierin ligt een les. We zijn gewaarschuwd en een gewaarschuwd man, telt voor twee. Als we onze zaakjes buiten God om regelen, lopen we grote risico’s. Soms zijn er situaties zijn, en we niet weten wat we moeten doen. Wat dan? Ook daar heeft Gods Woord een duidelijk antwoord op:

“Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen.”

Jacobus 1:5-8

En als het dan toch niet duidelijk is? Net als in het verkeer: bij twijfel niet inhalen. Geen beslissingen nemen als er twijfel is. Het kan moeilijk, heel moeilijk zijn. In zulke situaties is het verstandig om maar één stap tegelijk te doen. Geen paniek. De apostel Paulus schreef:

“Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt. Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij!”

1 Corinthiërs 10:13-14

Wat is afgoderij? Dat is alles, wat de eerste plaats in ons leven inneemt. God hoort op de eerste plaats. Daar moet het mee beginnen. Mensen schijnen soms te denken, dat God hen moet helpen. Maar God heeft geen enkele verplichting om ons te helpen. Hij is er niet voor ons, wij zijn er voor Hem. En als wij er helemaal zijn voor Hem, is Hij er helemaal voor ons. Zo kunnen de beproevingen, die God in ons leven toelaat, geestelijk verder helpen. Zo kunnen de verzoekingen van Satan, die op ons onheil uit is, onderkenen en weerstaan. Dat is overwinnend leven.

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Het Onze Vader IV – Vergeving

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.”

Mattheüs 6:12

Schriftlezing

“En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:5-13

Boodschap

We komen nu aan het vierde deel Van het Onze Vader: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Het gaat hier meer om een geestelijke dan om een financiële rekening van schuld. Wij kunnen bij God geen schuld afbetalen. Daarvoor was maar één prijs, namelijk de prijs, die de Here Jezus aan het Kruis betaalde met Zijn bloed. Dit is de hoogste prijs. Deze prijs heeft de Here Jezus willen betalen, zodat er voor u en mij vergeving mogelijk zou zijn. Als wij niet erkennen, dat wij gezondigd hebben, ja dat we zondaar zijn, is er geen oplossing voor het zondeprobleem. Dan staan we voor eigen rekening. Als de mens door God tot verantwoording geroepen wordt, kan hij de schuld niet betalen. De veroordeling, die daarop volgt is voor eeuwig uit Gods gemeenschap verstoten worden. Dit is wat de hel genoemd wordt. Daarin wil niemand zijn. Alleen tijdens dit leven krijgt de mens de gelegenheid met God verzoend te worden. Een tweede kans is er niet. Vergeving is dus heel belangrijk, het is van levensbelang. Het gaat niet alleen om het leven van alledag, hier is de eeuwige bestemming van de mens mee gemoeid. Zonde is de grootste schuld, die een mens hebben kan. Misschien voelt hij zich niet schuldig, of hij wil van geen schuld weten, maar dat wil niet zeggen, dat er geen schuld is. Het ontkennen van schuld is, om het zo maar eens te zeggen , levensgevaarlijk. Die schuld kan vereffend worden, als de mens de weg wil gaan, die God wijst. De mens heeft ook met zijn omgeving te maken. Daar kunnen ook problemen zijn. Er kunnen conflicten tussen mensen bestaan. Gods Woord schrijft voor, dat ook dat geregeld moet worden. Iemand, die God om vergeving vraagt, moet bereid zijn ook zijn naaste te vergeven. Dat staat duidelijk in het Mattheüs-evangelie:

“Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.”

Mattheüs 6:14-15

Eens vroeg de apostel Petrus aan de Here Jezus, hoe vaak hij iemand iets moest vergeven, zeven keer? Het antwoord was nog al verrassend. Het zal hem niet meegevallen zijn, dat doet het ons eerlijk gezegd ook niet:

“Jezus zei: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.”

Mattheüs 18:22

En dan begint de discussie. Ja, maar als u eens wist! En dan komen de verhalen. In deze wereld, en in ons kleine wereldje gebeuren dikwijls dingen, die echt niet kunnen: groot onrecht. En wie doet er wat aan ? Vergeven? Dat is teveel gevraagd. Of, vergeven, ja dat wil ik wel, maar vergeten, dat noot! Is er dan sprake van vergeving? Geen schuld tegenover God erkennen, of boosheid blijven voeden, is niet alleen tegen Zijn wil, het is bovendien slecht voor de gezondheid. Dat wist de Psalmdichter 1000 jaar voor Christus al:

“Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag; want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte. sela Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zei: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden, en U vergaf de schuld van mijn zonden. Sela.”

Psalm 32:3-5

De apostel Johannes zei daarover:

“Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet.”

1 Johannes 1:8-10

De apostel Paulus gaf ook praktische aanwijzingen. In zijn brief aan de Gemeente van Efeze schreef hij:

“Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet.”

Efeze 4:26

Het is duidelijk, dat dit alles alleen voor mensen kan gelden, die de Here Jezus Christus als Heer en persoonlijke Verlosser erkennen. Het zijn mensen, die de Heilige Geest hebben ontvangen. Daardoor zij zijn veranderd. Ze zijn niet beter dan andere mensen, maar anders.

De apostel Paulus legde uit:

“Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.”

Efeziërs 4:20-24

Iemand, die de vergeving ontvangen heeft, waar deze overdenking over spreekt, is innerlijk vrij van een schuldcomplex. Mensen, die vergeving ontvangen hebben, voelen zich soms nog schuldig, maar dat zijn ze dan niet meer. De gevoelens bedriegen hen. De zekerheid ligt niet in wat een mens voelt, maar wat Gods Woord zegt. Wie vergeving ontvangen heeft, zal ook de ander vergeven. De schuld, die de mens tegenover God heeft is veel groter, dan de schuld, van de ene mens aan de andere. Voor de grote schuld, die elk mens tegenover God heeft, bestaat op Gods voorwaarden vergeving. Wie zijn zonde belijdt en nalaat, ontvangt vergeving. Dit maakt de weg vrij om ook de schuld van de naaste te vergeven. Het spreekt vanzelf, dat wanneer iemand iets met de ander goedmaakt, hij ook, als dat mogelijk is, de ander schadeloos stelt. Er behoort in ieder geval vergeving gevraagd te worden. Dit zijn de voorwaarden voor de gelovige om zonder schuld tegenover God en de naaste door het leven te gaan.

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Het Onze Vader III – Dagelijks Brood

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Geef ons heden ons dagelijks boord.”

Mattheüs 6:11

Schriftlezing

“Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want U


wer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:6-13

Boodschap

Het “Onze Vader” begint met te bidden tot de heilige God in de hemel, dan om de komst van het Koninkrijk en dan ineens om het dagelijks boord. Het lijkt wel, dat die niet bij elkaar horen. Van het heilige en het hemelse naar het alledaagse. Hoort dat bij elkaar? Ja, die horen bij elkaar. De Bijbel geeft daarvoor ook een duidelijke aanwijzing. Voor de gelovige is er een duidelijke volgorde, al is die in de praktijk niet altijd even makkelijk om te doen. Bidden om ons dagelijks brood is iets meer dan : “Here, zegen deze spijze, amen.” De Here zei:

“Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden. Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.”

Mattheüs 6:33-34

Wie niet wedergeboren is, wie Gods Geest niet heeft ontvangen, kan hier helemaal niets mee. We moeten niet vergeten, aan wie de Here Jezus dit gebed leerde. Hij leert het aan Zijn discipelen alle eeuwen door. De discipel is leerling. De vraag is, of we leerling willen zijn, of dat we onze boontjes zelf wel doppen. Voor wie het Koninkrijk niet hoeft, moet dit gebed helemaal niet bidden. Discipel zijn betekent afhankelijk zijn. Afhankelijk van wat God ons geeft. Dat wil niet zeggen, dat we geen eigen verantwoordelijkheid hebben. Integendeel. Voor zover die binnen onze mogelijkheden ligt, moeten we die nemen. Als wij doen, wat God van ons vraagt, doet Hij wat wij niet kunnen. We mogen bidden om ons dagelijks brood. Dat is een eerste levensbehoefte. Wat dat betreft hebben we geen klagen. Wij kennen de situatie niet, dat je ’s morgens moet proberen of je voor die dag een baantje kunt vinden, zodat je ’s avonds brood kunt kopen. Denk maar aan de arbeiders, die aan de poort stonden in afwachting of er iemand kwam om die dag voor hem te werken. ’s Avonds kreeg de dagloner dan zijn geld voor die dag. De volgende morgen begon het opnieuw. En zo ging het iedere dag.

In veel gevallen zit onze vriezer vol met nog veel meer dan brood. We leven in weelde. Ja, alles wordt duurder. We hebben zorgen, maar het lijkt niet op wat de mensen uit Jezus’ tijd voor problemen hadden. Wij hoeven niet te bedelen om een aalmoes om in leven te blijven. En toch mogen ook wij bidden om dingen, die we nodig hebben. Hoe dikwijls zijn we niet gezegend en blij, dat we kregen waar we om vroegen. Soms krijgen we dingen , waar we helemaal niet om gevraagd hebben. Maar het wil niet zeggen, dat we als gelovige alles krijgen wat we willen hebben. We denken dikwijls, dat we weten, wat goed voor ons is. We bidden erom en krijgen het niet. Dan zeggen we, ons gebed is niet verhoord. Dat is niet waar. Ons gebed wordt altijd verhoord, maar soms zegt God: nee. En “nee” is ook een antwoord. Of het is (nog) niet het juiste moment. Soms, en lang niet altijd, komen we later tot de ontdekking, dat het maar goed was, dat God niet deed wat we vroegen. God kent de hele weg, wij kunnen niet om de hoek kijken. Maar zouden we er wat mee opschieten, als we alles kregen, wat wij fijn vinden? Wat vindt u van de volgende woorden van de Here Jezus aan Zijn discipelen?

“Toen zei Jezus tot zijn discipelen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden. Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?”

Mattheüs 16:24-26

Willen wij discipel zijn? Er hangt een prijskaartje aan. Wie wil er nu een kruis dragen! Dat proberen we op alle mogelijke manieren te vermijden. Er staat ook niet, dat we het kruis moeten zoeken, maar als we discipel van Jezus zijn, komen we in situaties, dat kruisdragen onvermijdelijk is. De tekst zegt, dat wie zijn leven in eigen hand wil houden, het zal verliezen. Maar als we ons leven in Zijn hand leggen, kunnen we het niet verliezen. De apostel Paulus schreef aan de gelovigen:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.”

Colossenzen 3:1-3

Het is duidelijk, dat de komst van Gods Koninkrijk en ons dagelijks wel degelijk met elkaar te maken hebben. Je kunt het een niet hebben zonder het ander. Het werken voor, en het ontvangen van ons dagelijks brood, staat in het grote kader van Gods wil. De grote componist Johann Sebastian Bach zette in zijn Cantate no. 12 het thema over kruis en kroon op muziek met de woorden:

“Kruis en Kroon zijn verbonden,
Strijd en Kleinood zijn vereend.”

Het een is zonder het ander niet verkrijgbaar. En dat zouden we allemaal wel graag willen. Maar zo werkt het niet. Maar zoals eerder gezegd, als wij ons door genade een kind van God mogen weten, is ons leven met Christus verborgen in God. Dan zijn we voor tijd en eeuwigheid geborgen in Zijn hand. Niemand kan ons daar uit wegrukken. Natuurlijk moeten we zelf ook daaruit niet weglopen. Ook vandaag mogen we bidden:

“Geef ons heden ons dagelijks brood”

Mattheüs 6:11

En als de koelkast gevuld is, kunnen we alleen maar danken. Vanzelfsprekend is het niet!

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Het Onze Vader II – Gods wil

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde.”

Mattheüs 6:10

Schriftlezing

“Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:6-13

Boodschap

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. God wil, dat het op aarde is, zoals het ook in de hemel is. Ieder een weet, dat het er niet op lijkt. In de hemel is het volmaakte, op aarde is niets volmaakt. Er is nog wat huiswerk te doen. Mensen vragen vaak, wat wil God dan? Wat kunnen we doen? Het beste is om te beginnen, waar we zijn en doen wat binnen ons bereik ligt. Meer dan 700 jaar voor Christus zei de profeet Micha tegen Israël:

“Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Here van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God.”

Micha 6:8

Uit Gods Woord kunnen we weten, wat goed is. Daarin vinden we de waarden en normen voor dit leven. Voor de manier waarop we dit leven inrichten, voor wat we doen en laten, moet ook eenmaal rekenschap afgelegd worden. Er zijn nogal wat mensen, die zeggen, dood is dood. Maar zo komt de mens er niet mee weg. Gods Woord zegt duidelijk:

“En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel.”

Hebreeën 9:27

God heeft de mens geschapen met een doel. Veel mensen vragen zich af wat het doel, wat de zin van het leven is. Gods Woord is daar duidelijk over. Als we niet weten waar we vandaan komen, als we niet weten waar we naar toe gaan, weten we ook niet wat we in dit leven moeten doen. Opgroeien, carrière maken, geld verdienen, doen waar je zin in hebt. En dan, op zekere dag houdt alles op. En dan? Over het hoofd van Israël heen luidt de boodschap:

“Ieder die naar mijn naam genoemd is, en die Ik geschapen heb tot mijn eer, die Ik geformeerd heb, die Ik ook gemaakt heb.”

Jesaja 43:7

God is er niet voor ons, wij zijn er voor Hem. Maar welke klacht bracht de profeet tegen Israël in?

“Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.”

Jesaja 1:3

Niemand zal voor een ezel versleten willen worden! Maar volgens de Bijbel is het blijkbaar mogelijk om met al het verstand en alle kennis, die we hebben, toch geen inzicht te hebben. Dat we op de een of andere manier niet door hebben, waar het uiteindelijk om gaat. Wat is hier aan de hand? Hoe komt het, dat God en de mens dan zover van elkaar staan? Ook daar heeft de Bijbel een antwoord op:

“Zoekt de Here, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij Zich over hem ontfermen – en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.”

Jesaja 55:6-9

In het Onze Vader leerde de Here Jezus Zijn discipelen bidden. Daar hoort ook bij: Uw wil geschiede. Wie heeft het voor het zeggen in uw leven? Heeft God het laatste woord, of zit het eigen ik op de troon? Daardoor ontstaat die kloof van onbegrip. Wij kunnen Gods gedachten niet peilen. Het gaat ook niet om de vraag, of we God begrijpen, maar of we geloven, wat Hij zegt. Als ik God kon begrijpen, zou ik met Hem op hetzelfde niveau staan. Dit betekent, dat ikzelf ook god ben, of dat Hij eigenlijk mens is, net als ik. Dat weten we wel beter. God wil, dat het op aarde net zo zal zijn, als het in de hemel is. Het betekent, dat Zijn wil op aarde wordt gevolgd en gerespecteerd. In de hemel was het volmaakt, totdat engelen in ongehoorzaamheid in de fout gingen. Waar God is, is geen plaats voor de zonde. In het Boek Openbaring staat:

“En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.”

Openbaring 12:7-9

We weten allemaal, dat de toestand in de wereld er treurig uitziet. Geen wonder, Satan is de overste over deze wereld. Het blijkt uit het aanbod van Satan aan de Here Jezus tijdens de verzoeking in de woestijn:

“Wederom nam de duivel Hem mede naar een zeer hoge berg en hij toonde Hem al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid, en zei tot Hem: Dit alles zal ik U geven, indien Gij U nederwerpt en mij aanbidt. Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.”

Mattheüs 4:8-10

De Here Jezus wees het af. Later zei Hij: “Mij is gegeven alle macht (niet alleen) in de hemel (maar ook) op de aarde.” De dag komt, dat Satan gegrepen en gebonden wordt:

“En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden.”

Openbaring 20:10

Dan is het over en uit met de macht van de duisternis. Dan zal Gods wil op aarde gehoorzaamd en gevolgd worden, net als in de hemel. Daarom leren we met de discipelen bidden, Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde.

Amen.

~Drs. K. van Berghem