Vrees

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:43

Schriftlezing

“Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden.”

Handelingen 2:37-47

Boodschap

Toen ze dit hoorden… In zijn Pinksterboodschap kraakte de apostel Petrus harde noten. Hij hield zijn toehoorders voor, dat ze eraan hebben meegewerkt dat Jezus “door de handen van wetteloze mensen aan het kruis (werd) genageld en gedood.” Handelingen 2:23. Ze gingen in op Petrus’ oproep “om zich uit dit verkeerde geslacht te laten behouden.” Dat wil zeggen, ze aanvaardden de boodschap om met hun oude manier van denken te breken. Dat werd zichtbaar toen ze zich lieten dopen. Dopen is de vertaling van het Griekse baptizein, dat in het Grieks nooit iets anders dan onderdompelen betekent. Het is het afdalen in het watergraf en daarin ondergaan. Het is de begrafenis van het oude leven. Daarbij wordt de Naam van God de Vader, van God de Zoon en God de Heilige Geest aangeroepen. Tegelijk wordt door het opstaan uit het water de latere Opstanding uit de dood uitgebeeld. Het betekent het grote allesbeslissende keerpunt in het leven van een mens. Het verleden ligt achter de dopeling, de toekomst ligt voor hem. Dit is het gevolg van de aanvaarding van Gods Woord en de overtuiging van de Heilige Geest. Het gaat niet om een traditie. De aanvaarding van Gods Woord, de overtuiging van Gods Geest, de wedergeboorte en de doop zijn onvergetelijke doorleefde werkelijkheden. We hadden het over de Pinksterdag. Gelukkig is daar is een vervolg op. Gods Geest was zo krachtig en merkbaar aanwezig, dat 3000 mensen dat Woord aanvaardden en zich lieten dopen. Waar God Woord eerst niet begrepen of afgewezen werd, gaan deze gelovigen volharden in het onderwijs van de apostelen. Er ontstond ook een nieuwe gemeenschap. Ze herdachten regelmatig de dood van de Here Jezus, waardoor zij behouden konden worden. Wat vaak vergeten wordt of niet goed tot zijn recht komt, ze bleven volharden in de gebeden. Net als de discipelen deden na de Hemelvaart, ruimden ze tijd in voor gebed. Als we dit alles de revue hebben laten passeren volgt er nog iets. En dat is niet het minste:

“En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:43

De gelovigen joegen de mensen geen schrik aan. Integendeel: de mensen stonden met verbazing te kijken naar wat er allemaal gebeurde. Allemaal dingen, die in onze dagelijkse beleving gewoon niet kunnen. Maar het gebeurde wel. Het is geen sprookje, er waren teveel ooggetuigen om iets te verzinnen. Ze zagen het voor hun ogen gebeuren. De Bijbel beschrijft niet welke wonderen en tekenen er dan allemaal plaatsvonden. Maar niemand kon er omheen, dat God op een bijzondere manier liet zien, dat HIJ er was. Het gevolg daarvan was, dat er vrees over alle mensen kwam. Wat is dit? Wat moeten we hier mee? Wie doet dit? Vrees, wat moet ik me daarbij voorstellen? Elk mens heeft op de een of andere manier wel eens met vrees te maken. Als we de zaak niet meer zelf in de hand kunnen houden, worden we bang. Gezien tegen de achtergrond van Handelingen 2 gebeuren hier geweldige dingen.

Petrus spreekt tot zijn eigen volk. Hij beschuldigt hen openlijk van de moord op de Messias, die God gezonden had voor Zijn volk. Ze hadden Hem niet begrepen, maar verworpen. De ene week riepen ze: gezegend is Hij, die komt in de Naam des Heren, een week later riepen ze in koor: kruist Hem. Door de harde confrontatie met de waarheid, schrokken de toehoorders zich onderstboven. Wat zei Petrus?

“Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt. Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?”

Handelingen 2:36-37

Het antwoord is kort en duidelijk:

“Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen.”

Handelingen 2:38

De zaak is ernstig, maar niet hopeloos. Vele toehoorders gingen in op de oproep zich hiervan te bekeren. Bekeren is, omdraaien en de andere kant, de goede kant, uitgaan. Dat was maar niet alleen voor de toehoorders van Petrus. Dat geldt ook voor ieder, die vandaag Gods Woord hoort. Hoe hebben wij het eraf gebracht met Jezus? Hebben wij Hem erkend of vinden we, dat we Hem niet nodig hebben? Petrus sprak tot Gods uitverkoren volk. Wat een beschuldiging. Het waren toch geen ongelovigen! Nee, dat niet maar wel deden ze wat goed was in eigen ogen. Is het met veel mensen, die zich Christen noemen, niet hetzelfde? Ieder doet zijn eigen ding. Maar dit is de verkeerde weg. Door de overtuigende inwerking van de Heilige Geest, dat het waar was wat Petrus zei, hebben vele toehoorders zich bekeerd. Als gevolg van de gebeurtenissen op de Pinksterdag, kwam er vrees over alle ziel. De mensen werden regelrecht geconfronteerd met Gods aanwezigheid. Ze wisten meteen, dat ze zich voor hun daden moesten verantwoorden. Dat gold voor toen, het geldt voor nu. Dit is een harde boodschap. Velen willen die niet horen. Voor het Pinksterfeest waren er misschien wel een miljoen mensen in de stad. We zijn ervan onder de indruk, dat er door één preek 3000 mensen tot geloof komen. Maar dit aantal valt weg tegen de honderdduizenden, die in de stad waren. Op die dag was het voor duizenden een heilzame schrik. Later groeide de Gemeente uit tot 10.000 en dan houdt de telling op. Sinds die dag is het voor miljoenen een heilzame schrik geweest en nog. God draait er geen doekjes om. Hij zegt waar het op staat en dat is voor ons bestwil. Als je bij de dokter een nare boodschap krijgt, wordt je niet boos op de dokter. Hij heeft het beste met je voor. Je vraagt jezelf af of er een oplossing is. En die zal de dokter ook geven. Het is een voorrecht, als Gods Woord ons overtuigt van de noodzaak van omkering, van bekering en Zijn Geest die overtuiging in ons hart legt. Er kan en mag een punt gezet worden op de levensweg. Er mag een verleden zijn en een nieuw begin. Het allesbeslissende keerpunt. Als u dat nog niet gekend hebt, wens ik het u toe. Die heilzame schrik. Waarom? De apostel Paulus schreef aan de Gemeente:

“Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.”

1 Corinthiërs 15:19

Wie geen hoop heeft voor de eeuwigheid, staat met lege handen. En dat wens ik u niet toe, echt niet.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Wind en vuur

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.”

Handelingen 2:2-4

Schriftlezing

“En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. En zij waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen? Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn gehad! Maar Petrus stond met de elven op, en hij verhief zijn stem en sprak hen toe: Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore. Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden worden.”

Handelingen 2:1-21

Boodschap

Op de Pinksterdag kun je verwachten, dat er over Handelingen 2 gesproken wordt. Dan gaat het over de uitstorting van de Heilige Geest. Maar wat betekent het eigenlijk? Het “feest der weken,”dat op die dag door de Joden gevierd werd, was een hoogtijdag. Van ver over de grenzen kwamen de Joden elk jaar naar Jeruzalem om dit feest te vieren. Ook dit jaar weer. Maar op de dag, die wij de Pinksterdag noemen, was er iets bijzonders, iets heel bijzonders. Er staat, dat het gehele huis met het geluid als van een geweldige windvlaag gevuld werd en er tongen als van vuur aan de discipelen verschenen. Met “het hele huis” wordt hoogstwaarschijnlijk de Tempel bedoeld. We lezen, dat de menigte te hoop liep en ze zich verbaasde, dat ieder hen in zijn eigen taal hoorde spreken. Het is niet mogelijk om alle facetten van deze gebeurtenis te belichten. Twee dingen krijgen even bijzondere aandacht. We staan stil bij wind en vuur. Om te beginnen staat er niet, dat er wind was, ook niet dat er vuur was. Wat ze hoorden was als het geluid als van een geweldige windvlaag; wat ze zagen was als tongen van vuur. Van geen wonder, dat de mensen te hoop liepen. Wie had ooit zoiets gehoord of gezien. Maar het is niet genoeg om het alleen maar te horen en te zien. Het is ook niet genoeg om dit nu te lezen, maar wat betekent het? Op deze Pinksterdag ging weer deel van Gods profetie in vervulling. In het Hebreeuws wordt voor “wind” en “geest” hetzelfde woord “ruach” (spreek uit: roeach) gebruikt. Het was een manifestatie van Gods aanwezigheid. God liet Zich als het ware horen. Het verschijnsel werd nog versterkt door “tongen als van vuur.” Dit voert heel ver terug in Bijbel.

“Zo was Mozes gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb. Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt.”

Exodus 3:1-3

Vele generaties na Mozes waren de mensen in Jeruzalem even verwonderd als hij, toen ze dit schouwspel zagen. Wat zou dit toch zijn? Je hoort het geluid, je ziet de vlammen, maar er is geen wind en er is geen vuur. De discipelen werden ook niet verteerd door het vuur. Wind en vuur zijn tekenen van Gods aanwezigheid en van Zijn heiligheid. Tegen Mozes zei de Engel des Heren: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond. Voorts zei Hij:

“Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.”

Exodus 3:5-6

Nu weten we, wie dit in Jeruzalem deed. De Engel des Heren was niemand anders dan de Here Jezus, die Zichzelf hier openbaarde. Met de discipelen gebeurde ook iets. Ze werden allen vervuld met de Heilige Geest. Waar blijkt dit uit? Ze spraken alle talen van de Joden die van heel ver gekomen waren. De ongeletterde discipelen spraken wel een dozijn verschillende talen, die ze nooit geleerd hadden. Ik maak even een uitstapje. De mensen uit o.a. Mesopotamië hoorden de verkondiging van Gods grote daden in hun eigen taal. Gods Woord werd eeuwenlang tot in China gehoord en geloofd. De Amerikaanse historicus Philip Jenkins schreef het belangwekkende boek “De Verloren geschiedenis van het Christendom” met als ondertitel “De Duizendjarige Gouden Eeuw van de Kerk in het Midden-Oosten, Afrika en Azië.” Daarin beschrijft hij het eeuwenlange en wijdverbreide Christendom in gebieden van de Eufraat en de Tigris; het huidige Irak, Turkije en Syrië. We keren teug naar ons onderwerp. Meerdere Bijbeluitleggers verbinden Pinksteren met de profeet Ezechiël. De ongeveer 400 jaar latere profetie van Joël voegt er een nieuwe dimensie aan toe. Behalve de profetie over de uitstorting van de Heilige Geest, trekt Joël de profetie door tot in de eindtijd.

“Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. En het zal geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Here gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Here zal roepen.”

Joel 2:30-32

Pinksteren met de uitstorting van de Heilige Geest staat niet op zichzelf. Het past in een breder kader. Pinksteren is een verdere ontwikkeling van Gods heilsplan met Israël en van daaruit met de Gemeente van Christus. Pinksteren wordt vaak gezien als de geboortedag van de Gemeente. En dat is het ook, maar we moeten niet vergeten, dat het Pinksterfeest allereerst een Joods feest was. De Gemeente, die op de Pinksterdag geboren werd, was een Joodse Gemeente. In zijn Messiaans Joods Manifest laat David Stern zien, dat de heidenen (d.w.z. de niet-Joden) rond het jaar 50 in de Gemeente begonnen te komen. Rond het jaar 350 zijn er meer niet-Joden in de Gemeente dan Joden. Met dit al mogen we niet vergeten, dat God Zich aan Israël heeft geopenbaard. De God, die aan Mozes verscheen, de God, die Zich op de Pinksterdag aan de discipelen openbaarde niemand anders is, dan de God van Abraham, Isaak en Jacob. Toen het gebeurde was Mozes alleen; toen het op de Pinksterdag gebeurde was een grote menigte er getuige van. God openbaarde Zijn aanwezigheid in het geluid als van een geweldige windvlaag en als vlammen van vuur. De ontwikkeling van Gods heilsplan omspant de eeuwen. Als we ons beperken tot Handelingen 2 zijn het geluid van de windvlaag en de tongen als van vuur bizarre verschijnselen. We begrijpen ze pas, als we ze zien in het Bijbels verband. Met de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag is de profetie van Joël niet uitgeput. Er gaat nog meer gebeuren. De God, die Zich openbaart in wind en vuur is Dezelfde nu.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Herdenken

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.”

Psalm 77:12

Schriftlezing

“Een psalm van Asaf. Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, opdat Hij zijn oor tot mij neige. Ten dage mijner benauwdheid zoek ik de Here, des nachts is mijn hand uitgestrekt en zij wordt niet moede, mijn ziel weigert zich te laten troosten. Denk ik aan God, dan kreun ik; peins ik, dan versmacht mijn geest. Sela. Gij houdt mijn ogen open, ik ben onrustig en kan niet spreken. Ik overdenk de dagen van ouds, de jaren van weleer; ik denk in de nacht aan mijn snarenspel, ik peins in mijn hart en mijn geest vorst na. Zal de Here dan voor altoos verstoten, en niet meer goedgunstig zijn? Neemt zijn goedertierenheid voor immer een einde, houdt de belofte op van geslacht tot geslacht? Vergeet God genadig te zijn, of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe? Sela. Daarom zeg ik: Dit krenkt mij, dat de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEREN gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God? “Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God?”

Lucas 24:13-35

Boodschap

Gedenken, dat is herdenken. Wat is er gebeurd? Afgelopen week hebben we hen, die vielen, herdacht. Wie waren zij? Vaak onbekend, ook wat ze in stilte deden. Daar werd niet over gesproken. Ze vonden zichzelf niet geweldig, maar het was ook gevaarlijk. Het gevaar lag op de loer. Ze waren vaak onbekend, vaak vergeten. Ze hebben geleden, gebeden, gestreden. Waarom deden ze dat? Voor de vrijheid. Om bevrijding van ons land. Wat hadden zij eraan? Ze hebben de hoogste prijs betaald, maar hebben niet in die vrijheid gedeeld. Wij zijn nu al meer dan 64 jaar vrij. Vrijheid begrijpen we pas als we weten, wat onderdrukking is. Dat kun je niet navertellen, de emotie van de bevrijding, de beleving van die ontlading, kun je niet overdragen. Voor wie het niet beleefd heeft, blijft het een verhaal. De oorlog en de bevrijding speelden zich af in de tijd. Daarover zijn vele dikke boeken geschreven. Na de oorlog zijn er al twee volle generaties opgegroeid. Een derde generatie komt er al aan. Ze hebben de angst, het gevaar, niet meegemaakt. Gelukkig! Voor hen is de vrijheid vanzelfsprekend.

Maar vrijheid is nooit vanzelfsprekend. Gods Woord leert ons, dat bevrijding wordt verkregen tegen de hoogste prijs. De geschiedenis bevestigt het keer op keer. Vrijheid wordt alleen verkregen door offer, vaak het hoogste offer: bloed. Als we hen vandaag herdenken, die voor onze vrijheid vielen, moeten we ook verder zien. We moeten heel zuinig zijn op de vrijheid, die zoveel bloed heeft gekost. Maar behalve, dat. Er ligt ook een diepere dimensie in. Er is een andere Onbekende, die geleden, gebeden en gestreden heeft voor onze bevrijding. Ook die bevrijding is realiteit geworden. Niet voor 64 jaar maar voor eeuwig. Bevrijd van de onderdrukking, van de macht van de Overste van deze wereld. Bevrijd, verlost van de macht van de zonde. Voor velen is die Bevrijder vaak een onbekende. Jezus Christus, de Zoon van God. Godzelf schreef daar één dik boek over: de Bijbel. Voor wie gelooft, wat HIJ daarin zegt, heeft Hij de Bevrijding van de macht van de zonde tot stand gebracht. Die macht is door Hem gebroken. Het betekent, dat we niet langer moeten zondigen, maar nog wel kunnen zondigen, en we doen het ook. We herdenken in grote dankbaarheid hen, die voor onze aardse en tijdelijke vrijheid vielen. Zij hebben de hoogste prijs betaald. De diepere dimensie daarvan is, dat Jezus Christus heeft geleden, gebeden en gestreden. HIJ heeft de allerhoogste prijs betaald. HIJ werd gekruisigd, is gestorven en begraven. Met Pasen herdachten wij, dat HIJ is opgestaan uit de doden. Dat is geen losse opmerking. Het grote belang voor ieder mens is, dat de opstanding van de gevallenen en de onze in Zijn Opstanding besloten ligt. Nu zijn er mensen, die niet in de Opstanding uit de dood geloven. Daarover schreef de apostel Paulus aan de Gemeente van Corinthe:

“Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. ”

1 Corinthiërs 15:12-19

Het gaat hier niet om de tijdelijke, maar om de eeuwige bevrijding. Wie gelooft wat Gods Woord daarover zegt, wordt niet alleen tijdens het aardse leven in maar voor eeuwig in de geestelijke vrijheid gezet. Daarom wordt de dood van de Here Jezus regelmatig herdacht. Wordt ook Zijn opstanding herdacht, maar dat helaas veel te weinig. HIJ is opgestaan, en als we Zijn Woord geloven, zullen ook wij eenmaal opstaan. Daarom:

“Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.”

Psalm 77:12

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Het Koninkrijk – Deel 1

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken.”

Kronieken 29:11-12

Schriftlezing

“Daarop zei koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap, en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de Here God. Daarom heb ik, zoveel ik vermocht, gereedgelegd voor het huis van mijn God: goud voor de gouden, zilver voor de zilveren, koper voor de koperen, ijzer voor de ijzeren, hout voor de houten voorwerpen, chrysoprasen en vulstenen, zwarte en kleurige stenen, allerlei edelgesteente en wit marmer in menigte. Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God, van wat ik zelf aan goud en zilver bezit, aan het huis van mijn God, behalve wat ik voor het heiligdom heb gereedgelegd: drieduizend talenten goud, goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de muren der gebouwen te overtrekken; goud voor de gouden en zilver voor de zilveren voorwerpen, en voor alles wat door de handwerkslieden wordt gemaakt. Wie verklaart zich nu bereid, om heden de Here zijn gave te schenken? Toen verklaarden zich daartoe bereid de oversten der families, de oversten van Israëls stammen, de oversten over duizend en honderd en de oversten over het werk van de koning; zij gaven voor de dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend darieken; tienduizend talenten zilver; achttienduizend talenten koper en honderdduizend talenten ijzer. Wie edelstenen bij zich had, gaf die, voor de schat van het huis des Heren, in handen van de Gersoniet Jechiël. Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de Here; ook koning David verheugde zich met grote vreugde. Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zei: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken. Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam. Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand.”

Kronieken 29:1-14

Boodschap

Na Zijn Opstanding sprak de Here Jezus 40 dagen lang met Zijn discipelen over het Koninkrijk Gods. Over het Gods Koninkrijk en koningschap valt veel te zeggen. Het gedeelte, dat we gelezen hebben is nogal moeilijk. Maar het is zeer de moeite waard om de inhoud ervan tot ons te laten doordringen. Wat betekent koninkrijk en koningschap, waar begon dit? Het kan hier alleen schematisch weergegeven worden. In Bijbels licht betekent “Koning” zoveel als soevereiniteit, bezitter van de hoogste macht. Daaraan is ieder mens volkomen gehoorzaamheid verschuldigd. Het gaat niet om democratie. Om dat duidelijk te maken, had God het volk Israël uitgekozen om dit aan de wereld te laten zien:

“Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.”

Deuteronomium 7:6

Aardse koninkrijken zijn er een afspiegeling van. Zo was het in de eeuwenlange geschiedenis van Israël. Israël was bedoeld als voorbeeld voor de natiën. Het volk Israël had niet God uitgekozen om koning over hem te zijn, maar God had Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Wat had God hiermee voor?

“Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.”

Jesaja 60:3

Door middel van het volk Israël wilde God Zich aan de volken bekendmaken. Waarom koos God het volk Israël? Omdat het beter was dan andere volken? Nee, maar omdat Hij het zo wilde. Maar het was met vallen en opstaan. Bij de Uittocht uit Egypte moest Mozes al Gods boodschap aan het volk overbrengen:

“Gij zijt immers een hardnekkig volk.”

Deuteronomium 9:6

In het eerste Bijbelboek Genesis worden al veel koningen genoemd, maar Israël had geen koning. Eindelijk wilde Israël zelf ook een koning hebben.

“De Here zei tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.”

1 Samuel 8:7

God was dus de Koning van Israël, maar daar had het volk kennelijk niet genoeg aan. Op enkele uitzonderingen na blijkt, dat door heel de geschiedenis van Israël heen, het steeds weer misging. En toch komt God tot Zijn doel. Ze dienden God wel, maar meestal op de manier, zoals andere volken hun goden dienden. Ze waren God niet vergeten, maar deden niet wat Hij gezegd had en waartoe zij zich vrijwillig hadden verbonden. Naast God dienden ze andere goden aan wie zelfs mensenoffers gebracht werden. Zo hadden ze een godsdienst uitgezocht, die meer aansloot bij de eisen van de tijd. Hoe doen wij dat vandaag? Misschien hebben we God niet vergeten, maar hebben we er een en ander meer van eigen ontwerp of keus bij, dat meer aansluit bij deze tijd.

In de tijd van koning David was Israël een machtig rijk geworden. Het absolute hoogtepunt van dit koninkrijk zou de bouw van de Tempel worden. Dat zou koning Salomo gaan doen. Hoewel de hele wereld met bewondering, misschien wel met afgunst, naar Israël keek, lag de nadruk niet op de aardse heerlijkheid en macht van de koning. God stond centraal. In zijn gebed zei David:

“Van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11b

Hiermee erkende hij, dat niet hij de hoogste autoriteit was. Hij was onderkoning, en dat zou Salomo ook zijn. Door alle menselijke gebrokenheid heen, komt God tot Zijn doel zowel met Israël als met ons. Israël is een volk, net als alle andere. Er is één verschil: God heeft dat volk uitgekozen om zich aan de wereld bekend te maken. Waarom koos Hij dat volk? Het had elk ander volk kunnen zijn. Dan wordt de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament. In het bekende “Onze Vader- gebed” leerde de Here Jezus Zijn discipelen bidden:

“Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:13

Het gaat niet alleen om het aardse koninkrijk naar Gods model, maar dat correspondeert met het hemels koninkrijk: “Uw wil geschiede in de hemel alsook op de aarde,” leert het Onze Vader. Het gaat om dat ene Koninkrijk Gods zowel op aarde als in de hemel. En zo gaat het gebeuren. Er zijn Bijbelverklaarders, die het komende Koninkrijk niet letterlijk maar geestelijk opvatten. De profeet Daniël profeteerde iets anders. Als de tijd voor de tien koningen van de eindtijd voorbij is, luidt de nog niet vervulde profetie:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar.”

Daniel 2:44-45

Na Zijn Opstanding zal door de uitleg van de Oudtestamentische profetieën aan de discipelen veel voor hen duidelijker zijn geworden. Dat volmaakte aardse Koninkrijk komt er alsnog. Tijdens een latere ledenvergadering in Jeruzalem trok de apostel Paulus de profetische lijn verder door. De Gemeente in Jeruzalem kreeg te horen:

“En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.”

Handelingen 15:15-18

Het is nog niet gebeurd, maar het koningshuis van David zal letterlijk hersteld worden. Dat letterlijke herstel zal volkomen geestelijk zijn, want:

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11

Want:

“Van U is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.”

Mattheüs 6:13

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Noodkreet

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:9

Schriftlezing

“De Israëlieten vergrepen zich evenwel aan het gebannene, doordat Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, iets wegnam van het gebannene. Toen ontbrandde de toorn des Heren tegen de Israëlieten. Jozua nu zond mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, oostelijk van Betel, en zei tot hen: Trekt op en verkent het land. Toen trokken die mannen op en verkenden Ai. Daarop kwamen zij tot Jozua terug en zeiden tot hem: Het gehele volk behoeft niet op te trekken, laten ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; vermoei niet het gehele volk door een tocht daarheen, want zij zijn daar weinig talrijk. Zo trokken van het volk ongeveer drieduizend man daarheen; zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht. Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water. En Jozua scheurde zijn klederen en wierp zich op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heren tot aan de avond, hij en de oudsten van Israël, terwijl zij zich stof op het hoofd strooiden. En Jozua zei: Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen? Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. IK zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:1-12

“Toen liet Jozua des morgens vroeg Israël volgens zijn stammen aantreden, en de stam Juda werd aangewezen. Toen hij de geslachten van Juda liet aantreden, wees Hij het geslacht der Zarchieten aan, en toen hij het geslacht der Zarchieten liet aantreden, man voor man, werd Zabdi aangewezen. Toen hij diens familie liet aantreden man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach uit de stam Juda. En Jozua zei tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de Here, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis; vertel mij toch wat gij gedaan hebt, verberg het niet voor mij. Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik ben het, die gezondigd heeft tegen de Here, de God van Israël, want zo en zo heb ik gehandeld: ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan. Toen zond Jozua boden, die zich naar de tent spoedden, en zie: het was in zijn tent verborgen, het zilver onderaan; en zij haalden het uit de tent, brachten het bij Jozua en al de Israëlieten, en stortten het uit voor het aangezicht des Heren. Daarop nam Jozua, tezamen met geheel Israël, Achan, de zoon van Zerach, en het zilver, de mantel en de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en kleinvee, zijn tent en al wat hem toebehoorde, en zij voerden hen naar het dal Achor. En Jozua zei: Zoals gij ons in het ongeluk hebt gestort, zal de Here u op deze dag in het ongeluk storten. Toen stenigde heel Israël hem, en men verbrandde hen met vuur, en wierp stenen op hen.”

Jozua 7:16-26

Boodschap

Het Oude Testament bevat leerzame lessen voor het geestelijk leven voor de gelovige. In onze geïndividualiseerde samenleving moeten we goed opletten, dat de gelovige deel van een geloofsgemeenschap uitmaakt. We hebben een persoonlijke maar ook collectieve verantwoordelijkheid. Het gaat niet maar om het “ikke,” voor gelovigen gaat het ook om het “ons.” Dit principe komt heel duidelijk in dit hoofdstuk naar voren. Voor de inname van Jericho had God duidelijke instructies aan Israël gegeven. Van de oorlogsbuit mochten zij niets voor zichzelf houden. Maar Achan kon de verleiding niet weerstaan kostbare voorwerpen zijn tent binnen te smokkelen en daar te begraven. Hiermee maakte hij een geweldige kortsluiting, die aan 36 Israëlieten het leven kostte. Het ging niet slechts om zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, maar het raakte heel het volk. Hij heeft niet bij de collectieve verantwoordelijkheid stilgestaan. In ons moderne denken hebben we daar wel moeite mee. De gelovige moet kiezen of hij vindt dat het wel kan, of dat hij aan Gods Woord gehoorzaam moet zijn. Dit principe staat voor de gelovige ook vandaag nog altijd recht overeind. Het gevolg van zijn diefstal stortte Israël in de ellende. Jozua, die nu pas de nieuwe leider geworden was, zat in zak en as. Vandaag zeggen we: hij zag het niet meer zitten. Hij zag de totale nederlaag van Israël op zich afkomen. Zij noodkreet was dan ook:

“Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:7-9

Het begon zo goed, maar nu was alles verkeken. Wat was er aan de hand? God liet hem niet op het antwoord wachten:

“Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:10-12

Met andere woorden zei God: Stel je niet zo aan, Israël, (het collectief) heeft het gebod overtreden. Als je dit niet oplost, kun je het vergeten. Ik ga niet verder met jullie. Daarop liet Jozua het volk aantreden en werd uitgezocht, wie dit op zijn geweten had. Het bleek Achan te zijn. Het van God gestolen goed werd in zijn tent gevonden en hij bekende. Dan volgt er voor ons moderne denken opnieuw een hersenbreker. Achan werd met alles wat hij had, vrouw en kinderen, zijn vee, zijn tent en de gestolen goederen, gestenigd en alles werd daarna met vuur verbrand. Laten we maar eerlijk zijn, hier kunnen wij geen weg mee. Wat konden zijn vrouw en kinderen er aan doen? Wij vinden, dat dit niet kan. Maar God vond dat het zo moest. Dan komt de vraag naar boven, kennen wij God eigenlijk wel? Welk beeld hebben van HEM? Willen wij bepalen hoe God moet zijn, wat Hij wel of niet moet doen? Ik denk, dat hier ons probleem zit.

God zei ooit, laat Ons mensen maken. We leven in een wereld, waar de mensen hun eigen god of goden maken. Hij moet zijn en doen, zoals wij willen. Maar zo werkt het niet. Om het eens ouderwets te zeggen: wat ons ontbreekt is de vreze des Heren. Dan heb ik het niet over de God met het vingertje. Dat is tekort door de bocht. Met deze uitdrukking wordt bedoeld het diepe respect voor God. Zijn wij van plan om voor Hem te buigen, voor wat Hij zegt en doet, ook al begrijpen we het niet? Op dit punt hebben we nog veel huiswerk te doen. Hoe staat het met onze collectieve verantwoordelijkheid tegenover mede christenen? Gelovigen moeten niet denken, niemand weet hier iets van, zelfs mijn eigen vrouw niet. Creatief zakendoen, dingetjes regelen. Geen haan, die er naar kraait. Zou dit een reden kunnen zijn, dat gelovigen niet serieus worden genomen? We laden toch alstublieft geen collectieve schuld op onze geloofsgemeenschap! Denken we er wel eens over na, hoe het toch zou komen, dat het allemaal zo moeilijk of slecht in kerk en gemeente gaat?

Ligt er collectieve schuld waar de ander niet van weet? Schuld, die Gods zegen tegenhoudt? De situatie van Jozua was bedreigend. Is onze situatie dat ook niet? We moeten niet wegkruipen achter het argument, dat de tijden veranderd zijn. Dit is onzin. De tijd doet het niet, de mensen doen het en ze zijn er verantwoordelijk voor. Wij zijn verantwoordelijk. De wereld lacht om ons, collectief. Op alle mogelijke manieren proberen we mensen met het Evangelie te bereiken, maar we moeten er geen eelt van op onze knieën krijgen. Dat vooral niet. In het algemeen is het probleem, er wordt niet volhardend, aanhoudend gebeden. Verder hoeven we niet te zoeken. Misschien is er een bidstond, Van het woord “stonde.” Dat is een uur. Er wordt gezongen, er wordt gelezen, er worden ervaringen uitgewisseld. Daar is niets mis mee. Maar het moet allemaal binnen dat uur.

Hoeveel tijd blijft er dan over voor het gebed? Als we er echt de tijd voor nemen om God te vragen, waarom de dingen gaan zoals ze gaan, zal Hij niet wachten om ons te laten weten, wat er aan de hand is. De ban moet uit ons midden verwijderd worden. Zijn er verborgen zaken, die het geestelijk leven persoonlijk en in de gemeente blokkeren? Intussen begrijpt niemand waarom het allemaal zo moeizaam gaat. Er moet schoon schip gemaakt worden. Daarbij hoeven vandaag geen doden te vallen, hoogstens gezichtsverlies. Als de (verborgen) struikelblokken opgeruimd worden, komen er stromen van zegen. Waar wachten we op? Geen gepraat, geen diplomatie, geen gepolder: op de knieën! Als we dan bidden: “En wat zult u dan voor uw grote Naam doen?” krijgen we het antwoord.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Prediking

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid.”

1 Korintiërs 1:23

Schriftlezing

“Ik dank God te allen tijde over u, vanwege de genade Gods, die u in Christus Jezus geschonken is; want in elk opzicht zijt gij rijk geworden in Hem: in alle woord en alle kennis, gelijk het getuigenis aangaande Christus onder u bevestigd is, zodat gij ten aanzien van geen enkele genadegave te kort komt, terwijl gij uitziet naar de openbaring van onze Here Jezus Christus. Hij zal u ook bevestigen ten einde toe, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Here Jezus Christus. God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here. Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen. Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de (huisgenoten) van Chloë, dat er twisten onder u zijn. Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Kefas! En ik van Christus! Is Christus gedeeld? Is Paulus dan voor u gekruisigd, of zijt gij in de naam van Paulus gedoopt? Ik ben dankbaar, dat ik niemand uwer gedoopt heb dan Crispus en Gajus; zodat niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt. Ook heb ik nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb. Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken. Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.”

1 Korintiërs 1:4-25

Boodschap

De Apostel Paulus schrijft aan deze opvallende gemeente. Hij dankt God voor hen, omdat ze in Christus alles hebben ontvangen. Ze komen geen enkele genadegave tekort. Dat is nogal wat. Dat is nog eens een gemeente! Ze hebben de toekomstverwachting; ze zien uit naar de komst van Jezus Christus. Het zijn wat je noemt echte Maranatha christenen. Ik wil ook wel bij zo’n gemeente horen. Tot zover is alles goed. Maar dan komt er een brief van de apostel Paulus:

“Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de (huisgenoten) van Chloë, dat er twisten onder u zijn. Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Kefas! En ik van Christus!”

1 Korintiërs 1:10

Deze gemeente heeft een probleemje: verdeeldheid. De een is nog vromer dan de ander. Paulus draait er geen doekjes om. Ze zijn verdeeld. Hoe kan dat nu in zo’n modelgemeente? Ze hebben allemaal zo hun favoriete voorganger. Paulus pakt dit stevig aan op de manier waarvan vandaag gezegd wordt: dat is niet meer van deze tijd! Maar zo deed hij het, gelukkig maar. Ja, Apollos was doorkneed in de Schrift. Die kende hij op zijn duimpje. Toch wist hij ook niet alles. Aquila en Priscilla moesten hem na de dienst toch nog bepaalde dingen nauwkeuriger uitleggen. En zo ruziën ze verder. Een doet een poging om Paulus zelf er bij te slepen. Maar dat werkt niet. Hij schreef:

“Ook heb ik nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.”

1 Korintiërs 1:10

Tussen haakjes, de vertaling, dat hier een aanwijzing is voor de gezinsdoop, is misleidend. Er wordt dan verondersteld, dat er ook kinderen gedoopt werden. Voor “gezin” staat in de grondtekst “huis.” In de cultuur, waarin dit gebeurde betekent het ook het personeel, niet noodzakelijkerwijs kinderen. Nergens is een aanwijzing in Heilige Schrift, dat de apostelen de kinderdoop geleerd of in praktijk gebracht hebben. Bij de gevangenbewaarder van Filippi in Handelingen 16:34 lezen we, dat allen die gedoopt waren, tot geloof gekomen waren. Van kinderen is ook hier geen sprake. Daar was de apostel Paulus overigens zelf bij. Maar daar gaat het in dit gedeelte niet om. Het zwaartepunt ligt niet bij deze of gene spreker, maar bij de verkondiging van de gekruisigde Christus. In de vruchteloze discussies van de gemeenteleden stelt de apostel het kruis centraal.

“Maar wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.”

1 Korintiërs 1:23-24

Paulus doet geen beroep op hun geestesgaven of doop. Ze hebben alle gaven ontvangen, maar daar heeft de apostel het niet over. Ook niet over hun toekomstverwachting: het draait alleen om Jezus Christus en dien gekruisigd. De gemeente van Christus is niet daar waar het allemaal zo aantrekkelijk is, maar waar de gekruisigde Heer in het middelpunt staat. Het zijn niet de spectaculaire dingen, die de doorslag geven, maar de dwaasheid van de prediking. Daardoor en door niets anders dan door de prediking van het Woord en de werking van de Heilige Geest, worden de mensen overtuigd. Het dwaze van God is wijzer dan de wijsheid van mensen. Dat is even slikken. Hieruit blijkt, hoever wij van Gods wijsheid afstaan. Wilt u dat aannemen? Wilt u daarvoor buigen?

Ja maar, zegt de twijfelaar, ik zou toch wel graag een teken willen. De denker vindt, dat er iets van niveau bij moet. Het antwoord is simpel: Er wordt geen ander teken gegeven dan dat van Jona. Drie dagen en drie nachten in de donkere diepte. Jona dacht het ook beter te weten. Maar in zijn hopeloze situatie, in de diepte, in het donker, gingen zijn ogen open en zag hij wat hij zien moest. In het kruis zien wij geen overwinning, maar nederlaag. Het is de schijnbare nederlaag, die ook doorwerkt in ons leven. Wij lijden met Hem om ook met Hem verheerlijkt te worden. Als we met Hem verheerlijkt willen worden, gaat het lijden daaraan vooraf. Die twee zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. In het lijden van Christus, dat ook in ons leven doorwerkt, breekt het Koninkrijk baan. Niettegenstaande de weerstand in de wereld, breekt het opstandingsleven door. Het was te zien bij de soldaten, die achterovervielen toen zij Jezus wilden arresteren. Het was te zien bij de hoofdman, die de kruisiging geleid had; bij het openbreken van het graf waar de Romeinse soldaten op de vlucht sloegen. Als iemand tot geloof komt in deze wereld is dat een doorbraak van het opstandingsleven.

We staan er dan niet bij stil, dat dit in “bezet gebied” gebeurt. Satan is de Overste van deze wereld en hij kan een bekering, een afval van zijn rijk, niet tegenhouden. Als iemand wegteert op het ziekbed en met een ontroerend getuigenis verklaart, dat alles wel is. Dan is dat omdat het opstandingsleven doorbreekt. Daarom prediken wij een gekruisigde Christus, de kracht Gods tot behoud.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Aanslag

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart.”

Genesis 6:5-6

Schriftlezing

“Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Here zei: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des Heren. Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God. En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toen zei God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken. Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u. En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden. En gij, neem u van alle voedsel, dat gegeten wordt, en verzamel het bij u, opdat het voor u en voor hen tot spijze zij. En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij.”

Genesis 6:5-22

Boodschap

Deze week staan radio en televisie bol van berichtgeving over een terroristische aanslag in Amsterdam. We dachten tot nog toe, dat het allemaal nogal meegevallen was. Nee dus. Wat het allemaal inhoudt weten we nog niet, maar opwekkend is het bericht niet. En zoals altijd: er is niets nieuws onder de zon. In de eerste hoofdstukken van de Bijbel lezen we al over geweld. In Noachs tijd was de aarde vol van geweld. Mensen hebben van het begin af verkeerde dingen gedaan, maar als het om geweld gaat, wordt bij God de uiterste grens van Zijn geduld overschreden. Gods reactie was: “zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.” Door de zondvloed maakte God een einde aan de anarchie. Sommige wijsneuzen beweren, dat er nooit een zondvloed heeft plaatsgevonden. Ja, plaatselijk misschien maar niet wereldwijd. Voor hen heb ik een vraag.

In de jaren 90 was ik predikant in Franche Comté tegen de Zwitserse grens. De gastvrouw van de Bijbelstudiegroep was lid van de gemeenteraad geweest. Ze vertelde, dat er een nieuwe weg aangelegd moest worden. Het is een bergachtig gebied. Er moesten bulldozers aan te pas komen. Tot ieders verbazing stootten de machines op metersdikke lagen schelpen. Als de zondvloed niet meer was dan een lokale overstroming, kan iemand mij dan uitleggen hoe deze schelpen op 900 km. van de Atlantische Oceaan op 400 meter hoogte terecht zijn gekomen?

Ik geloof eerder mijn Bijbel dan de mening van een wijsneus, die er niet bij geweest is. De wereldwijde zondvloed laat duidelijk zien hoe God geweld veroordeelt en uitbant.

De berichtgeving gonst van dreigingen en aanslagen van geweld. In bussen en treinen, op scholen, in grote winkels. Allerlei overheidsdiensten zijn in touw. Het liep met een sisser af, dit keer wel. Mensen worden in eigen woning overvallen, op straat beroofd. Zo komt het heel dicht bij. Iedereen weet, dat het op andere plaatsen nog veel erger is. Het lijkt met de dag erger te worden. Het is dweilen met de kraan open. En wat zeggen de kerken? Van die kant heerst een oorverdovende stilte. Heeft de kerk van vandaag geen boodschap voor de samenleving? Zou het niet zinvol zijn als er een Herderlijk Schrijven kwam? Met gevaar voor eigen vrijheid en leven lazen predikanten tijdens de oorlog soms namens de hele kerk een Herderlijk Schrijven voor in de gemeente. Waarom zwijgen vandaag al die kerken en gemeenten over de situatie, die ons allen aangaat? Nee, men wil niet terug naar vroeger. Dat alstublieft niet. Dat ruikt naar spruitjes. De samenleving is volwassen geworden. Dat is te merken. Maar toen de mensen zogenaamd nog niet volwassen waren, bestonden deze monsterachtige toestanden niet!

Uit de geschiedenis is bekend, dat in tijden van nood de Overheid het volk opriep tot een dag van gebed. Ja maar, er bestaat nu een scheiding van kerk en staat. Welnu, laat de kerk het dan doen! En als dan niet het hele volk daartoe opgeroepen kan worden, waarom dan de eigen achterban niet? Trouwens, ik dacht dat de kerk een woord voor de wereld had! De protestantse kerken belijden het algemeen priesterschap der gelovigen. De priesterdienst houdt in, dat de priester voor het volk bij God bidt en pleit. Maar dan moet hij of zijn wel eerst recht tegenover God staan. Geen onbeleden zonden. Wanneer is het zover? En als het in kerk of gemeente niet aanslaat, kan de gelovige zich in eigen binnenkamer terugtrekken en bidden. Voor hem en haar is de belofte, dat God het zal vergelden. Hoe en wanneer moeten we aan Hem overlaten. Waar wacht u op? We hebben een verantwoordelijkheid tegenover God en de naaste. We hebben ook de opdracht te bidden voor de Overheid. Doen we dat? Hebt u er ook zo’n moeite mee met wat er in Den Haag wel of niet gedaan wordt? Bij alle dreiging van geweld rolt ook de economische crisis over ons heen. Gevolg van ontembare gierigheid en hebzucht ten koste van wie. Ja, van u en van mij. Wat hebben wij gedaan om die crisis uit te lokken? Daar is geen kruid voor gewassen. De regering zit met de handen in het haar. Voorlopig kot het niet verder dan praten, overleggen en onderhandelen. Het is complex, het heeft tijd nodig. Ik stond erbij en kijk ernaar. Kunnen we als gelovigen dan helemaal niets? De apostel Paulus schreef aan Timotheüs:

“Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen.”

1 Timotheüs 2:1-4

En dat waren gezagsdragers, die de mensen niet zelf hadden gekozen. De Romeinse bezetters, vijanden. Als we vragen wat Gods wil is, dan is hier het antwoord. Maar hoe kan God gebeden verhoren, die niet gebeden worden? We weten maar al te goed, dat wij op eigen houtje de situatie niet kunnen veranderen. Wachten op de volgende verkiezingen en dan…? Dan krijgen we meer van hetzelfde. De Bijbel leert, dat het anders kan; dan moet het ook anders. Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest in antwoord op gebed. Niet met bravour, niet met een houding van, “dat zullen wij eens even doen.” Het kan alleen in eigen machteloosheid, in alle eenvoud. Begint u er anders alstublieft niet aan. Aan Christus is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Ook over de noodsituatie van velen. Het enige wat gelovigen nu kunnen, mogen en moeten doen, is bidden. Zo kan oordeel over geweld afgewend worden. Zo als het nu is kan het niet blijven. Noach heeft de mensen 120 jaar lang gewaarschuwd, maar het hielp allemaal niet. Zou hij het alleen beter weten dan wij met zijn allen? De mensen geloofden het gewoon niet, totdat het gebeurde. Maar het houdt een keer op. Op een bepaald moment zet God er een punt achter. Zijn we vergeten wat Gods Woord ons voorhoudt?

“Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.”

2 Kronieken 7:13-14

Maar kerk en gemeente moeten op de knieën. Als die het niet doen, laten we dan de binnenkamer ingaan. Niemand kan ons tegenhouden als wij vragen, dat er onder de mensen een besef van Gods aanwezigheid en van Zijn heiligheid komt. Dat moet in Gods huis beginnen. We moeten beginnen in eigen leven, in eigen kerk en gemeente, schoon schip te maken. Dan geeft Gods Woord de belofte, waar we Hem aan mogen houden:

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Laten we maar beginnen!

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Gebed

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Mattheüs 6:6

Schriftlezing

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden. Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.”

Mattheüs 7:7-12

Boodschap

Deze keer is de Schriftlezing kort. Maar er valt veel om over na te denken. Het gaat over het gebed. Er valt heel wat te zeggen over het gebed. Bidden is niet een gebed opzeggen. Als we: “Here zegen deze spijze, amen” of alleen maar het Onze Vader, gebeden hebben, is daarmee niet alles gezegd. Gebed houdt heel wat meer in. Het is het persoonlijk contact met God de Vader door onze Here Jezus Christus. Alleen door Hem hebben we toegang tot de Vader. We mogen dan ook bidden in Zijn Naam. Het betekent eigenlijk, dat we op gezag van Zijn Naam bij de Vader mogen aankloppen. Bidden is de intieme, de vertrouwelijke relatie met God. Het thema is dan ook, “ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene.” Wat daar door de bidder tegen God gezegd wordt, of aan Hem gevraagd wordt, heeft niemand mee te maken. Dat is strikt vertrouwelijk. Maar wij zijn gezelschapsmensen. We houden er niet van alleen te zijn. We houden niet zo van de stilte. We willen ook niet ongezellig zijn. Nu hoeft dat natuurlijk ook niet, maar hoe komt het over als je zou zeggen, ik wil bidden, ik ga even weg? Het kost moeite, we moeten er wat voor opofferen om dat te doen. Maar zegt de tekst, “uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” Het staat er zo opvallend: “ga in de binnenkamer en doe de deur dicht.”

Voordeel is, dat we dan niet afgeleid worden. Maar je bent ook vrij om alles te zeggen wat je op je hart hebt. Ook het voorbeeld van de Here Jezus leert ons iets:

“En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.”

Mattheüs 14:23

Misschien staan we er niet bij stil. Maar in welke houding bidden we? Er zijn meerdere teksten in het Oude en in het Nieuwe Testament, die er iets over zeggen. Ik noem er twee.

“Treedt toe, laten wij ons nederwerpen en ons buigen, knielen voor de Here, onze Maker; want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat Hij weidt, de schapen zijner hand. Och, of gij heden naar zijn stem hoordet!”

Psalm 95:6-7

De Psalmdichter geeft niet alleen aan, dat we behoren te knielen, maar hij zegt ook waarom: God is onze Maker, Hij is onze God. Ook het Nieuwe Testament geeft voorbeelden. De apostel Paulus schreef:

“Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt.”

Efeziërs 3:14-15

Ik ken een Gemeente waar de ouderlingen op de knieën gaan voordat de dienst begint en die aan God opdragen. Na de dienst knielen ze weer om God te danken voor ontvangen zegen. Weten we niet van Godsmannen, die twee afdrukken van hun knieën in de vloer achterlieten, de plaats waar ze gewoon waren te bidden. Zijn wij niet al te geëmancipeerd om gewoon te blijven zitten als we bidden? De Here Jezus zocht de stilte. En wat is dan bidden? We hebben het net gelezen:

“Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”

Mattheüs 7:8

Bidden is ontvangen. Nou nou, zal iemand zeggen, dat ken ik wel anders. Was dat maar waar! De apostel Johannes schreef er over:

“Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht.”

1 Johannes 3:21-22

Bidden is niet een verlanglijstje inleveren. Het vraagt een bepaalde instelling. Is er geen belemmering voor gebedsverhoring? Kan er onbeleden zonde in ons leven zijn? Dat is een belemmering, die gebedsverhoring kan blokkeren. Wat doen we daarmee? De apostel Johannes wees daarvoor de weg:

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”

1 Johannes 1:9

En dan is er nog iets. Zonde, onenigheid in de Gemeente kan ook de gebedsverhoring voor genezing in de weg staan:

“Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.”

Jacobus 5:16

Mensen zijn wonderlijke wezens. We durven wel God om vergeving vragen, maar aan een broeder of zuster in de Gemeente, dat lukt niet. Waarom niet? We zijn zo bang voor gezichtsverlies. Is dat belangrijk? Ja, het is heel belangrijk, het blokkeert het geestelijk leven in de gemeenschap. Dat valt niet altijd op. Behalve bestaande zonde wordt er dan nog een aan toegevoegd. Tijdens een Avondmaalsdienst wees ik er eens op. Ineens stond een jongeman op. Hij voelde zich niet vrij om aan het Avondmaal deel te nemen. Hij liep naar de andere kant van de zaal. Daar zat iemand, met wie hij een probleem had. Hij ging er heen om vergeving te vragen. Wat dacht u? Dat is Gemeenteleven. Geen kerkje spelen, maar doen wat Gods Woord zegt. Het komt aan op onze geestelijke gesteldheid. Dat wij bidden zoals God het wil, naar Zijn wil bidden. Niet om iets bidden, dat in strijd met Zijn Woord is.

“En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden.”

1 Johannes 5:14-15

De apostel Jacobus deed een harde uitspraak:

“Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.”

Jacobus 4:2-3

“Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand.”

1 Korintiërs 14:15

Als we om iets bidden, moeten we ons ook afvragen of Gods Naam er ook door verheerlijkt wordt. Dat heeft te maken met Zijn wil en met de gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Ja maar, zal iemand zeggen, ik heb niet gebeden om iets, dat tegen Gods Wood ingaat. Maar toch verhoort God mijn gebed niet. Dat kan niet. God verhoort alle gebeden. Maar, soms moeten we wachten, omdat God oordeelt, dat het niet nú moet. Het kan ook zijn, dat God niet geeft, wat we vragen omdat het niet goed voor ons is. Op dat moment begrijpen we het vaak niet. Later wordt het duidelijk, soms pas jaren later. Dan blijkt, dat we Hem alleen maar kunnen danken, dat God ons niet heeft gegeven, waar we om vroegen. En hoe vaak moeten we dan bidden? We zitten vaak in de knoop met onze agenda. We hebben het zo druk. Misschien zijn we bezig met echt goede dingen. Maar, zouden we er niet eens over nadenken, of we het goede soms niet moeten laten staan voor het betere? Dat vraagt iets van ons, misschien wel iets moeilijk zelfs. Maar in de geestelijke strijd, waarin we als gelovigen, staan geldt:

“En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

Efeziërs 6:18

Soms moeten we die gelegenheid zelf maken. De apostel Paulus schreef:

“bidt zonder ophouden.”

1 Thessalonisenzen 5:17

En als het om de Gemeente gaat krijgen we het Woord mee:

“En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.”

Handelingen 2:42-43

En wat gebeurt er dan? Dan gaat God dingen doen, waar we stil van worden. We hebben enig huiswerk te doen.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Vrees

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.”

Handelingen 5:11

Schriftlezing

“En een zeker man, met name Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom, hield iets van de opbrengst achter, met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde het aan de voeten der apostelen. Maar Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet te uwer beschikking? Hoe kondt gij aan deze daad in uw hart plaats geven? Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. En bij het horen van deze woorden viel Ananias neder en blies de adem uit. En een grote vrees kwam over allen, die het hoorden. En de jonge mannen stonden op en legden hem af, en zij droegen hem uit en begroeven hem. En het geschiedde na verloop van ongeveer drie uur, dat zijn vrouw binnenkwam, onkundig van wat er gebeurd was. En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het stuk land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel. En Petrus zei tot haar: Hoe hebt gij kunnen overeenkomen om de Geest des Heren te verzoeken? Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, zijn aan de deur en zij zullen ook u uitdragen. En zij viel terstond neder voor zijn voeten en blies de adem uit; en de jonge mannen kwamen binnen en vonden haar dood en zij droegen haar uit en begroeven haar bij haar man. En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden. En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen.”

Handelingen 5:1-16

Boodschap

De vorige keren hebben we gezien welke geweldige dingen er gebeurden in de eerste Christengemeente. Was het nu ook nog maar zo. Niemand had ooit zoiets gezien. En dan willen we het graag zo houden. De geestelijke leiders zagen het allemaal niet zitten. Het ging niet volgens hun boekje, dus deugde het niet. Tot overmaat van ramp gebeurde er ook nog een wonder aan de Tempelpoort. Ze lieten de apostelen arresteren. Geestelijke leiders, die naar geweld grijpen om hun belangen te beschermen. Dit is machtsmisbruik. In keurig Nederlands heet het dan, dat ze bij gebrek aan bewijs, de arrestanten moesten vrijlaten. Velen zien in de gebeurtenissen van Handelingen 2, 3 en 4 het model van de volmaakte gemeente. Was dat ook zo? Hoofdstuk 5 helpt ons uit de droom. De eerste Christenen zweefden niet, ze hadden oog voor de armoede om hen heen. Ze verkochten zelfs bezittingen om de armen te helpen. Geen wonder, dat die mensen de aandacht trokken en in hoog aanzien stonden. Er was een echtpaar, dat op die golf van populariteit probeerde mee te surfen. Ze waren kennelijk vergeten, dat ze in de Gemeente van Christus waren, waar de Heilige Geest bijzonder duidelijk werkte. Ze spraken samen af ook een stuk land te verkopen. Het geld zouden ze dan bij de apostelen brengen. Ze deden alsof ze het hele bedrag afdroegen, maar een deel ervan zouden ze achterhouden. Dat kon niemand weten. De geschiedenis is duidelijk. Natuurlijk mochten ze net zoveel geven en achterhouden als ze zelf wilden, maar ze deden alsof ze alles gaven. Geweldig toch! Geen haan, die er naar kraait. Maar dat pakte anders uit, heel anders. Er vielen twee doden in de Gemeente. Onvoorstelbaar. Wat was de uitwerking?

“Een grote vrees kwam over de gehele Gemeente en over allen, die dit hoorden.”

Handelingen 5:11

Geen wonder. Wat is dat die vrees? Waren ze bang, dat ze ook dood zouden neervallen? Nee, deze mensen hadden een verkeerd Godsbeeld. Ze hadden een voorstelling van God, die niet klopte met de werkelijkheid. Misschien dachten ze alleen maar: God is liefde. En dat is HIJ ook, maar dat niet alleen. God is ook heilig. En daar hadden ze geen begrip van. De apostel Paulus hield de Gemeente voor:

“Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden.”

Romeinen 11:22

De tekst leert dat God goed en streng is. Als alle nadruk op één bepaalde eigenschap gelegd wordt, maken we een karikatuur van Hem. Dat leerde Israël al in de woestijn. Ze maakten een Gouden Kalf, mannelijk, vruchtbaar, zoals bij de omringende volken, sterk. Een afschuwelijke karikatuur van de God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Is God dan niet sterk? Hij had hen toch uit Egypte geleid! Ja, maar Hij is heilig, heilig, heilig. Wat is er heilig aan een jonge stier? Het is godslastering om zich God voor te stellen als een jonge stier. Toen God Zich in Jeruzalem manifesteerde, viel de vrees op de mensen. En dat is wat ons vandaag ontbreekt. Geen angst, maar diepe, diepe eerbied. Toen God ingreep, leerden de mensen Hem beter kennen. We horen nogal eens over de God met het vingertje. Ook dat is een grove belediging, een karikatuur. God is liefde, Hij is driemaal heilig, God is ook een verterend vuur. We kunnen niet naar believen daaruit een keus maken voor wat ons het meeste aanspreekt. We moeten weten hoe we tot God kunnen en mogen naderen. Wat komt daarvan terecht in de prediking? Aan Timotheüs schreef de apostel Paulus:

“Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren.”

2 Timotheüs 4:1-4

Eerder had hij aan Timotheüs geschreven:

“Wie in zonde leven, moet gij in aller tegenwoordigheid bestraffen, opdat ook de overigen ontzag hebben. Ik betuig u voor God en voor Christus Jezus en voor de uitverkoren engelen, dat gij daaraan de hand houdt, zonder vooroordeel en zonder iets te doen uit vooringenomenheid.”

1 Timotheüs 5:20-21

Wordt daar in de Gemeente de hand aan gehouden? Velen zeggen, dat is niet meer van deze tijd. Is God veranderd? Is Zijn Woord veranderd? Hoe komen mensen er dan toe alleen uit Gods Woord te halen, wat hen van pas komt, wat vooral vriendelijk moet zijn? We kunnen er niet naar believen de teksten uit knippen, die ons een prettig gevoel geven. In het laatste Bijbel boek waarschuwde de apostel Johannes de lezers ervoor.

“Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”

Openbaring 22:18-19

We kunnen Gods Woord geloven en aanvaarden of het niet geloven en verwerpen. Dit is niet vrijblijvend. We leven vandaag in een onmogelijk moeilijke situatie. Velen raken in de knel. Ze leefden voor geld, hoe meer hoe liever. Ze gokten met het geld van anderen, die daardoor in de problemen raken. De afgod van het geld, Mammon, is omgevallen. Tallozen zijn daarvan de dupe. Heeft God ons vandaag door deze dingen iets te zeggen? Wordt het geen tijd, hoog tijd, dat we nagaan of ons Godsbeeld wel klopt? Kennen wij de vreze des Heren, de diepe eerbied voor wie Hij is? Hij is niet veranderd, Hij is Dezelfde nu. Dezelfde die Hij altijd is geweest. Laten we onszelf ervan overtuigen, dat wij geen karikatuur van Hem gemaakt hebben. Er zijn mensen geweest, die het meegemaakt hebben, dat God Zich op een bijzondere manier manifesteerde. Het gebeurde in de 1e eeuw; het gebeurde in de 20e eeuw. Hij is niet veranderd. En als wij geen bijzondere manifestatie van Hem meegemaakt hebben, wil het niet zeggen, dat Hij veranderd is. Zijn Woord leert ons, wie Hij is. Zijn Woord alleen moet voldoende zijn om Hem te leren kennen. Als we Gods Woord zo lezen en aanvaarden, gaat Hij Zich aan ons openbaren.

“Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.”

Johannes 14:21

“En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.”

Handelingen 5:11

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Brandpunt

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”

Handelingen 4:31

Schriftlezing

“En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend. En het geschiedde tegen de volgende dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun Schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem, en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden; en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten: Door welke kracht of door welke naam hebt gij dit gedaan? Toen zei Petrus, vervuld met de heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten, indien wij thans in verhoor genomen worden ter zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor u staat. Dit is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden. En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden. Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren; en daar zij de genezene bij hen zagen staan, konden zij er niets tegen inbrengen. En na hun geboden te hebben buiten de raadzaal te gaan, overlegden zij met elkander, en zij zeiden: Wat moeten wij met deze mensen beginnen? Want dat er een kennelijk wonderteken door hen verricht is, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen; maar om te voorkomen, dat het nog meer onder het volk verbreid wordt, laat ons hun dreigend gebieden tot niemand meer te spreken op gezag van deze naam. En toen zij hen binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus. Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven; want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben. Maar zij dreigden nog meer, doch lieten hen vrij, daar zij geen vorm konden vinden om hen te straffen – en wel om het volk; want allen verheerlijkten God om hetgeen er geschied was; want de mens, aan wie dit teken der genezing verricht was, was boven de veertig jaar. En toen zij vrijgelaten waren, gingen zij naar de hunnen en deelden hun mede al wat de overpriesters en oudsten tot hen gezegd hadden. En toen dezen het hoorden, verhieven zij eenparig hun stem tot God en zeiden: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is; die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen de Here en tegen zijn Gezalfde. Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël, om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou. En nu, Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus. En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”

Handelingen 4:1-31

Boodschap

Het spreekwoord zegt: Als God Zijn kerk bouwt, bouwt Satan zijn kapel ernaast. Zo was het ook hier. Het ging zo goed in en met de Gemeente, dat de gevestigde orde er tegen in opstand kwam. Met grote ergernis hoorden de geestelijke leiders van wonderen en tekenen. Toen een zieke in de Tempel genezen werd, was de maat vol. Ze lieten de apostelen arresteren. De volgende dag werden ze verhoord. De leiders werden niet alleen tegengesproken, maar stonden zelfs met de mond vol tanden. Het enige wapen, dat ze hadden was een dreigement. Maar dat hielp niet. Na overleg achter gesloten deuren nam de dreiging alleen maar toe. Ook dat hielp niet. Hoe konden Petrus en Johannes standhouden? Ze stonden op het fundament van Handelingen 2:42.

“En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.”

Handelingen 2:42

Dat is de Opstanding van de Here Jezus, de gemeenschap, het Avondmaal en het gebed. De uitwerking daarvan was: vrees over alle ziel gevolgd door vele wonderen en tekenen. De leiders kwamen niet verder dan dreigementen. Maar het bleef gevaarlijk; ze voelden zich bedreigd. Toen ze weg mochten gingen ze naar de hunnen en vertelden wat er gebeurd was. Het werd een bidstond. Daar ligt het Brandpunt. Ze beriepen zich op Psalm 2

“Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen de Here en tegen zijn Gezalfde. Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël, om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou. En nu, Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus. En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”

Handelingen 4:25-31

Het geheim is Gebed, voortdurend, aanhoudend gebed. Kan dat vandaag ook nog? Er is een boek over de opeenvolgende Opwekkingen op het eiland Lewis voor de Schotse Westkust. De titel is Sounds from Heaven. De gelovigen die daar wonen vormden een gemeenschap van gebed. Als het over Opwekking gaat, betekent het gebedstrijd. De Schotse gelovigen kwamen vaak bij elkaar in de huizen. Op een avond was er weer zo’n huisbidstond. Behalve de bekende Opwekkingsprediker Duncan Campbell was de ouderling, de dorpssmid, er ook. Het gebed ging moeizaam. De spanning was voelbaar. Er viel een stilte, het ging gewoon niet. Het Brandpunt. De predikant vroeg de smid of hij wilde bidden. Een half uur lang. Wat bad hij dan allemaal? Met grote vrijmoedigheid pleitte hij op Gods beloften. Als het ware wanhopig eindigde hij: “Here, wat doet u voor Uw grote Naam?” Plotseling begon het huis te schudden. Zes meisjes, die op een bank zaten, vielen op de grond. Iedereen dacht aan een aardbeving. Toen ze buiten kwamen bleek, dat er helemaal geen aardbeving geweest was. Het was het begin van weer een nieuwe Opwekking in 1939 en opnieuw in 1949. Gods aanwezigheid was als het ware voelbaar. Iedereen wist: God is hier. Ook de ongelovigen zeiden het. Is dit niet wat we missen? Zonder dat er iets bekendgemaakt was stroomden de kerken vol. Overal waren bidstonden, die soms doorgingen tot in de vroege morgenuren. Het Brandpunt. De mensen wilden niet naar huis. Alle aparte samenkomsten hielden op. Jongeren en ouderen zochten elkaar op. De een om te helpen, de ander om te leren. Hoe kon dit allemaal? Het Brandpunt. Gebed, gebed, gebed. Jong en oud samen in de bidstond. Welke spreker of welke methode moet de mensen van buiten binnenbrengen? Moeten die het doen? Nee, de Gemeente, moet het zelf doen. Er is maar één manier: gebed. Persoonlijk gebed. Hoe lang bidt u elke dag? Gezamenlijk gebed, eenparig. Uit Gods Woord en uit de kerkgeschiedenis en uit onze eigen tijd blijkt, dat het anders kan. En als het anders kan, dan moet het anders! Waar begint het? In het Brandpunt: de bidstond. Daar gaan we niet bidden om spectaculaire dingen, geen sensatie, maar om de wil van God te kennen. Als de Gemeente, de hele Gemeente op haar plaats is, mogen we bidden: Heer, wat doet U voor Uw grote Naam. Dan mogen we het aan Hem overlaten hoe God gaat antwoorden. Als het zo gaat, blijft Zijn antwoord niet uit.

Een ding is duidelijk, de gelovigen werden allen opnieuw vervuld met de Heilige Geest. Dan spreken zij ook met grote vrijmoedigheid over het Woord. En, is er vreugde.

Amen.

~Dr. K. van Berghem