Het Grote Herstel

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.”

Handelingen 3:21

Schriftlezing

“Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds, dat is het negende. En een man, die verlamd was van de schoot zijner moeder aan, zodat hij gedragen moest worden, zetten zij dagelijks bij de poort van de tempel, genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers. Toen deze zag, dat Petrus en Johannes de tempel zouden binnengaan, verzocht hij om een aalmoes. En Petrus zag hem scherp aan, met Johannes, en zei: Zie naar ons. En hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen te ontvangen. Maar Petrus zei: Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel! En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels stevig, en hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de tempel binnen, lopende en springende en God lovende. En al het volk zag hem lopen en God loven; en men herkende hem als degene, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de tempel; en zij werden met verbazing en ontzetting vervuld, over wat met hem gebeurd was. En toen hij Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen te hoop in de zogenaamde zuilengang van Salomo, vol verbazing. En Petrus zag het en antwoordde het volk: Mannen van Israël, wat verwondert gij u hierover, of wat staart gij ons aan, alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen? De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde, dat men Hem moest loslaten. Doch gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, geschonken zou worden; en de Leidsman ten leven hebt gij gedood, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn. En op het geloof in zijn naam heeft zijn naam deze, die gij ziet en kent, sterk gemaakt; en het geloof door Hem heeft hem dit volkomen herstel gegeven in u aller tegenwoordigheid. En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. Mozes toch heeft gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal.”

Handelingen 3:1-22

Boodschap

We gaan even terug naar de Hemelvaartsdag. In het boek Handelingen is twee keer sprake van herstel. De eerste keer op Hemelvaartsdag, vlak voor de opname van de Here Jezus in de hemel. Veertig dagen lang had de Heer de discipelen onderricht over het Koninkrijk gegeven. Het verlossingswerk was nu volbracht. Na wat ze al die weken van de Here Jezus gehoord hadden, wilden de discipelen graag weten, wanneer het koningschap over Israël hersteld zou worden:

“Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?”

Handelingen 1:6

Dit was de volkomen logische vraag, voordat het Pinksterfeest en de uitstorting van de Heilige Geest plaatsvond. Het antwoord was nogal teleurstellend:

“Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft. ”

Handelingen 1:7

Het gedeelte, dat we gelezen hebben, beschrijft een situatie na de Pinksterdag en de Uitstorting van de Heilige Geest. Op de Pinksterdag had de apostel Petrus de Heilige Geest ontvangen. Nu gaf hij zelf antwoord op de vraag, die de discipelen op Hemelvaartsdag niet beantwoord kregen. De Here Jezus zou in de hemel opgenomen worden tot het herstel, de wederoprichting van alle dingen, zoals de profeten eeuwenlang geprofeteerd hadden. Maar wat hadden zij dan gezegd? Wie de Bijbel daarop onderzoekt ontdekt minstens 28 profetieën, die dat herstel beschrijven. De twee vragen uit Handelingen 1:7 en 3:21 vallen niet op. We lezen er makkelijk overheen. De Here Jezus en de apostel Petrus zeggen daar iets, waar over nagedacht moet worden. Op dat moment gaven ze geen tekst en uitleg, van wat ze bedoelden. Maar die bedoeling is glashelder. Maar we moeten ons huiswerk maken, om te ontdekken, wat er achter deze voorlopige uitspraken van de Here Jezus en van Petrus verborgen ligt. Ik zei minstens 28 profetieën. Die kunnen we hier niet allemaal doornemen. Zestien ervan zijn afkomstig van Jesaja. De andere 7 profeten waren het met Jesaja eens. Ze gaan over het herstel van Israël, de verwoeste plaatsen en de terugkeer van de Joden naar hun land. In één van de profetieën van Jesaja beschreef hij zelfs een onvoorstelbare omkering van de natuur in het komende Vrederijk van de Messias, het Duizendjarig Rijk. Maar niet alleen dat, ook de toekomstvisie voor Israël. Hij schreef o.a.:

“Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter Zicht nederleggen bij het bokje; het kalf. de jonge leeuw en het mestvee zullen samen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich samen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom Zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van Zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam. Sinear, Hamat en de kustlanden der zee. En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde.”

Jesaja 11:6-13

De terugkeer van het verdreven Joodse volk uit de verste uithoeken van de aarde staat in het kader van een volkomen nieuwe orde. De toestand in de wereld, zoals we die vandaag kennen, is volkomen abnormaal. Het herstel, de wederoprichting aller dingen is niet anders dan het herstel van het normale, zoals het oorspronkelijk door God bedoeld was. Deze waarheid ligt verborgen in de twee onopvallende uitspraken van de Here Jezus en de apostel Petrus in Handelingen 1:7 en 3:21. Voor ons is het onvoorstelbaar, dat het Duizendjarig Rijk er zo uitziet. In de vorige overdenkingen hebben we stilgestaan bij alles wat er eerst nog gebeuren moet, voor het zover is. God heeft grote beloften voor Israël gegeven. Er kunnen zonder moeite 6 A4-tjes mee gevuld worden. Maar de profeten steken niet onder stoelen of banken, dat Israël door de grote verdrukking heen zal gaan. De profeet Jeremia zei:

“Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jacob; maar daaruit zal hij gered worden.”

Jeremia 30:7

In het Boek Openbaring beschrijft de apostel Johannes hoe dat er uitziet. Hij vroeg aan de engel, wie de mensen waren, die hij in witte gewaden zag:

“Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed van het Lam.

Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”

Openbaring 7:14, 17

“En de Here zal koning worden over de gehele aard; te dien dage zal de Here de enige zijn, en zijn naam de enige. Het gehele land zal worden als de vlakte van Geba tot Rimmon, zuidelijk van Jeruzalem. (…) Men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn, maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn. ”

Zacharia 14:9

Dit is de achtergrond van de uitspraak van de Here Jezus, die vóór de Pinksterdag niet begrepen werd, maar na de uitstorting van de Heilige Geest aan de apostel Petrus geopenbaard werd. Dit is het grote herstel, dat verwacht wordt.

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Reageren is niet mogelijk