Jezus Christus, de Zoon van God

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.”

Handelingen 8:37

Schriftlezing

“En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam. En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een rijksgrote van Kandake, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen. En Filippus liep snel erheen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zeide: Verstaat gij wat gij leest? En hij zeide: Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus in te stappen en naast hem te komen zitten. En het gedeelte van de Schrift, dat hij las, was dit: Gelijk een schaap werd Hij ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is tegenover de scheerder, zo doet Hij zijn mond niet open. In de vernedering werd zijn oordeel weggenomen: wie zal zijn afkomst verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. En de kamerling antwoordde, en zeide tot Filippus: Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit? Van zichzelf of van iemand anders? En Filippus opende zijn mond, en uitgaande van dat schriftwoord, predikte hij hem Jezus. En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat is ertegen, dat ik gedoopt word? En hij zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is. En hij liet de wagen stilhouden en beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem. En toen zij uit het water gekomen waren, nam de Geest des Heren Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap.”

Handelingen 8:26-39

Boodschap

De minister van financiën van Candace, het huidige Ethiopië, was naar Jeruzalem gekomen om te aanbidden. Moderne Ethiopiërs beschouwen dit als de vervulling van Psalm 68:32

“Aanzienlijken naderen uit Egypte, Ethiopië strekt haastig de handen uit.”

Psalm 68:32

Vele eeuwen eerder was de koningin van Scheba al bij koning Salomo op bezoek geweest. Haar bezoek had mogelijk commerciële doeleinden. Daar had ze iets gezien van de grootsheid van Israël en gehoord over de God van Israël. Op de een of andere manier was er iets over in Ethiopië blijven hangen. Wellicht kwam deze hoogwaardigheidsbekleder zelf naar Jeruzalem om er meer van te weten. Opmerkelijk, kwam hij niet als toerist, maar als aanbidder van de God van Israël. Maar het bezoek was hem tegengevallen. Wat hij uit overlevering over Israël gehoord had, was iets anders dan hij er nu zelf aantrof. Voor hij Jeruzalem weer verliet, had hij een boekrol van de profeet Jesaja gekocht. Dit is heel opmerkelijk. Onderweg naar huis zat hij in zijn wagen en las hardop uit de profetie van Jesaja. Een Ethiopiër, die het Hebreeuws zo goed beheerste, dat hij niet alleen las wat er stond, maar het ook hardop uitsprak. Alleen, hij begreep niet wat het betekende. Hij had geen taal probleem, maar gebrek aan geestelijk inzicht om de profetie te begrijpen. Voor wat betreft geestelijke dingen, was hij in Jeruzalem blijkbaar niet wijzer geworden. De man had er een heel lange reis voor gemaakt. Tussen de regels door valt de teleurstelling te proeven. Het is triest, dat iemand de God van Israël komt aanbidden, en als het ware met lege handen, naar huis gaat. Hij heeft een boekrol van de profeet gekocht en liet de inhoud ervan tot zich doordringen. Maar, hij kwam er niet uit. Op dat moment, onderweg in de woestijn, zomaar uit het niet, stond daar ineens de evangelist Filippus. Hij vroeg: begrijpt u ook wat u leest? God had de oprechtheid van deze man aangezien en hoe hij met de nodige vragen zonder antwoord uit Jeruzalem was vertrokken. God ziet het hart aan. Daar waar de priesters en de Farizeeën het hadden laten afweten, stuurde God zijn dienstknecht Filippus de woestijn in om de man te ontmoeten. Hij heeft misschien zelf wel gedacht, wat moet ik in de woestijn gaan doen? Wat heeft God daar mee voor? Maar hij ging en ontdekte Gods bedoeling. De Ethiopiër nodige de evangelist uit naast hem plaats te nemen om de uitleg van de profetie te horen. Het ging over het offer, dat de Here Jezus zou brengen op Golgotha. De evangelist legde uit, dat het betrekking had op Jezus Christus, de Zoon van God. Dat sprak de man aan, hij was immers naar Jeruzalem gekomen om juist die God te aanbidden. Dat had hij in Jeruzalem moeten horen en niet in de woestijn.

“En Filippus opende zijn mond, en uitgaande van dat schriftwoord, predikte hij hem Jezus.”

Handelingen 8:35-38

Toen de evangelist uitgelegd had wie Jezus de Christus was, raakten de gebeurtenissen als het ware in en stroomversnelling. De man was innerlijk gereed om Gods Woord te ontvangen en te geloven. Hij wilde zo graag meer van God weten en Hem aanbidden. Toen hij dacht, dat het allemaal vergeefse moeite was geweest, gebeurde het. Hij kreeg uitleg in het Hebreeuws en heel persoonlijk. Daarin noemde Filippus Jezus als de Messias, zoals het in de Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament staat vermeld. Midden in de woestijn, onderweg op reis, leerde hij persoonlijk de Messias kennen. Hij was niet alleen erg blij met de uitleg, hij trok er ook de conclusie uit.

“En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat is ertegen, dat ik gedoopt word?”

Handelingen 8:36

Hij had begrepen, dat er een nieuw leven voor hem lag. Het betekende een breuk met het verleden, hoe dat er ook uitgezien heeft. Hij ging heel anders naar huis, dan hij gekomen was. Kan het, vroeg hij aan de evangelist?

“En hij zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is. En hij liet de wagen stilhouden en beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.”

Handelingen 8:37-38

Het personeel, dat met de Ethiopiër meereisde, zal wel vreemd opgekeken hebben bij wat er gebeurde. De man zei, dat hij geloofde. Niet zo maar wat, maar dat Jezus de Messias, de Zoon van God was. De wagen stond stil, en de beide mannen daalden af in het water waarin hij werd ondergedompeld. Daarin werd het afleggen van het oude leven, en het begraven worden met Christus, uitgebeeld. Daarna stond hij op uit het watergraf om een nieuw leven te beginnen. Een leven, waarin God op de eerste plaats kwam te staan. En toen, heel onverwacht, was Filippus er niet meer. De Ethiopiër zag hem nergens meer. God had hem weggenomen. Hij zal het wel jammer gevonden hebben, maar zijn vreugde was zo groot, dat hij zijn verdere weg met blijdschap vervolgde. Filippus was niet belangrijk. Hij had zijn taak volbracht; hij was de boodschap komen brengen. Het ging om de persoonlijke ontmoeting van de man met God, dat hij Hem en Zijn Zoon, Jezus de Messias, zou leren kennen. En dat gebeurde. En dat was voor de Ethiopiër een bron van grote vreugde. Dit Schriftgedeelte leert, dat wie God ernstig zoekt, Hem ook vindt. God ziet het hart aan. En het leven van de mens wordt pas echt vervuld met grote vreugde, als Jezus, de Messias, er Zijn plaats in heeft gekregen.

Amen.

~Drs. K. van Berghem

Reageren is niet mogelijk