Het Koninkrijk – Deel 1

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken.”

Kronieken 29:11-12

Schriftlezing

“Daarop zei koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap, en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de Here God. Daarom heb ik, zoveel ik vermocht, gereedgelegd voor het huis van mijn God: goud voor de gouden, zilver voor de zilveren, koper voor de koperen, ijzer voor de ijzeren, hout voor de houten voorwerpen, chrysoprasen en vulstenen, zwarte en kleurige stenen, allerlei edelgesteente en wit marmer in menigte. Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God, van wat ik zelf aan goud en zilver bezit, aan het huis van mijn God, behalve wat ik voor het heiligdom heb gereedgelegd: drieduizend talenten goud, goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de muren der gebouwen te overtrekken; goud voor de gouden en zilver voor de zilveren voorwerpen, en voor alles wat door de handwerkslieden wordt gemaakt. Wie verklaart zich nu bereid, om heden de Here zijn gave te schenken? Toen verklaarden zich daartoe bereid de oversten der families, de oversten van Israëls stammen, de oversten over duizend en honderd en de oversten over het werk van de koning; zij gaven voor de dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend darieken; tienduizend talenten zilver; achttienduizend talenten koper en honderdduizend talenten ijzer. Wie edelstenen bij zich had, gaf die, voor de schat van het huis des Heren, in handen van de Gersoniet Jechiël. Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de Here; ook koning David verheugde zich met grote vreugde. Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zei: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken. Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam. Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand.”

Kronieken 29:1-14

Boodschap

Na Zijn Opstanding sprak de Here Jezus 40 dagen lang met Zijn discipelen over het Koninkrijk Gods. Over het Gods Koninkrijk en koningschap valt veel te zeggen. Het gedeelte, dat we gelezen hebben is nogal moeilijk. Maar het is zeer de moeite waard om de inhoud ervan tot ons te laten doordringen. Wat betekent koninkrijk en koningschap, waar begon dit? Het kan hier alleen schematisch weergegeven worden. In Bijbels licht betekent “Koning” zoveel als soevereiniteit, bezitter van de hoogste macht. Daaraan is ieder mens volkomen gehoorzaamheid verschuldigd. Het gaat niet om democratie. Om dat duidelijk te maken, had God het volk Israël uitgekozen om dit aan de wereld te laten zien:

“Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.”

Deuteronomium 7:6

Aardse koninkrijken zijn er een afspiegeling van. Zo was het in de eeuwenlange geschiedenis van Israël. Israël was bedoeld als voorbeeld voor de natiën. Het volk Israël had niet God uitgekozen om koning over hem te zijn, maar God had Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Wat had God hiermee voor?

“Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.”

Jesaja 60:3

Door middel van het volk Israël wilde God Zich aan de volken bekendmaken. Waarom koos God het volk Israël? Omdat het beter was dan andere volken? Nee, maar omdat Hij het zo wilde. Maar het was met vallen en opstaan. Bij de Uittocht uit Egypte moest Mozes al Gods boodschap aan het volk overbrengen:

“Gij zijt immers een hardnekkig volk.”

Deuteronomium 9:6

In het eerste Bijbelboek Genesis worden al veel koningen genoemd, maar Israël had geen koning. Eindelijk wilde Israël zelf ook een koning hebben.

“De Here zei tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.”

1 Samuel 8:7

God was dus de Koning van Israël, maar daar had het volk kennelijk niet genoeg aan. Op enkele uitzonderingen na blijkt, dat door heel de geschiedenis van Israël heen, het steeds weer misging. En toch komt God tot Zijn doel. Ze dienden God wel, maar meestal op de manier, zoals andere volken hun goden dienden. Ze waren God niet vergeten, maar deden niet wat Hij gezegd had en waartoe zij zich vrijwillig hadden verbonden. Naast God dienden ze andere goden aan wie zelfs mensenoffers gebracht werden. Zo hadden ze een godsdienst uitgezocht, die meer aansloot bij de eisen van de tijd. Hoe doen wij dat vandaag? Misschien hebben we God niet vergeten, maar hebben we er een en ander meer van eigen ontwerp of keus bij, dat meer aansluit bij deze tijd.

In de tijd van koning David was Israël een machtig rijk geworden. Het absolute hoogtepunt van dit koninkrijk zou de bouw van de Tempel worden. Dat zou koning Salomo gaan doen. Hoewel de hele wereld met bewondering, misschien wel met afgunst, naar Israël keek, lag de nadruk niet op de aardse heerlijkheid en macht van de koning. God stond centraal. In zijn gebed zei David:

“Van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11b

Hiermee erkende hij, dat niet hij de hoogste autoriteit was. Hij was onderkoning, en dat zou Salomo ook zijn. Door alle menselijke gebrokenheid heen, komt God tot Zijn doel zowel met Israël als met ons. Israël is een volk, net als alle andere. Er is één verschil: God heeft dat volk uitgekozen om zich aan de wereld bekend te maken. Waarom koos Hij dat volk? Het had elk ander volk kunnen zijn. Dan wordt de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament. In het bekende “Onze Vader- gebed” leerde de Here Jezus Zijn discipelen bidden:

“Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:13

Het gaat niet alleen om het aardse koninkrijk naar Gods model, maar dat correspondeert met het hemels koninkrijk: “Uw wil geschiede in de hemel alsook op de aarde,” leert het Onze Vader. Het gaat om dat ene Koninkrijk Gods zowel op aarde als in de hemel. En zo gaat het gebeuren. Er zijn Bijbelverklaarders, die het komende Koninkrijk niet letterlijk maar geestelijk opvatten. De profeet Daniël profeteerde iets anders. Als de tijd voor de tien koningen van de eindtijd voorbij is, luidt de nog niet vervulde profetie:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar.”

Daniel 2:44-45

Na Zijn Opstanding zal door de uitleg van de Oudtestamentische profetieën aan de discipelen veel voor hen duidelijker zijn geworden. Dat volmaakte aardse Koninkrijk komt er alsnog. Tijdens een latere ledenvergadering in Jeruzalem trok de apostel Paulus de profetische lijn verder door. De Gemeente in Jeruzalem kreeg te horen:

“En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.”

Handelingen 15:15-18

Het is nog niet gebeurd, maar het koningshuis van David zal letterlijk hersteld worden. Dat letterlijke herstel zal volkomen geestelijk zijn, want:

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11

Want:

“Van U is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.”

Mattheüs 6:13

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Reageren is niet mogelijk