Wind en vuur

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.”

Handelingen 2:2-4

Schriftlezing

“En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. En zij waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen? Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn gehad! Maar Petrus stond met de elven op, en hij verhief zijn stem en sprak hen toe: Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore. Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden worden.”

Handelingen 2:1-21

Boodschap

Op de Pinksterdag kun je verwachten, dat er over Handelingen 2 gesproken wordt. Dan gaat het over de uitstorting van de Heilige Geest. Maar wat betekent het eigenlijk? Het “feest der weken,”dat op die dag door de Joden gevierd werd, was een hoogtijdag. Van ver over de grenzen kwamen de Joden elk jaar naar Jeruzalem om dit feest te vieren. Ook dit jaar weer. Maar op de dag, die wij de Pinksterdag noemen, was er iets bijzonders, iets heel bijzonders. Er staat, dat het gehele huis met het geluid als van een geweldige windvlaag gevuld werd en er tongen als van vuur aan de discipelen verschenen. Met “het hele huis” wordt hoogstwaarschijnlijk de Tempel bedoeld. We lezen, dat de menigte te hoop liep en ze zich verbaasde, dat ieder hen in zijn eigen taal hoorde spreken. Het is niet mogelijk om alle facetten van deze gebeurtenis te belichten. Twee dingen krijgen even bijzondere aandacht. We staan stil bij wind en vuur. Om te beginnen staat er niet, dat er wind was, ook niet dat er vuur was. Wat ze hoorden was als het geluid als van een geweldige windvlaag; wat ze zagen was als tongen van vuur. Van geen wonder, dat de mensen te hoop liepen. Wie had ooit zoiets gehoord of gezien. Maar het is niet genoeg om het alleen maar te horen en te zien. Het is ook niet genoeg om dit nu te lezen, maar wat betekent het? Op deze Pinksterdag ging weer deel van Gods profetie in vervulling. In het Hebreeuws wordt voor “wind” en “geest” hetzelfde woord “ruach” (spreek uit: roeach) gebruikt. Het was een manifestatie van Gods aanwezigheid. God liet Zich als het ware horen. Het verschijnsel werd nog versterkt door “tongen als van vuur.” Dit voert heel ver terug in Bijbel.

“Zo was Mozes gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb. Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt.”

Exodus 3:1-3

Vele generaties na Mozes waren de mensen in Jeruzalem even verwonderd als hij, toen ze dit schouwspel zagen. Wat zou dit toch zijn? Je hoort het geluid, je ziet de vlammen, maar er is geen wind en er is geen vuur. De discipelen werden ook niet verteerd door het vuur. Wind en vuur zijn tekenen van Gods aanwezigheid en van Zijn heiligheid. Tegen Mozes zei de Engel des Heren: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond. Voorts zei Hij:

“Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.”

Exodus 3:5-6

Nu weten we, wie dit in Jeruzalem deed. De Engel des Heren was niemand anders dan de Here Jezus, die Zichzelf hier openbaarde. Met de discipelen gebeurde ook iets. Ze werden allen vervuld met de Heilige Geest. Waar blijkt dit uit? Ze spraken alle talen van de Joden die van heel ver gekomen waren. De ongeletterde discipelen spraken wel een dozijn verschillende talen, die ze nooit geleerd hadden. Ik maak even een uitstapje. De mensen uit o.a. Mesopotamië hoorden de verkondiging van Gods grote daden in hun eigen taal. Gods Woord werd eeuwenlang tot in China gehoord en geloofd. De Amerikaanse historicus Philip Jenkins schreef het belangwekkende boek “De Verloren geschiedenis van het Christendom” met als ondertitel “De Duizendjarige Gouden Eeuw van de Kerk in het Midden-Oosten, Afrika en Azië.” Daarin beschrijft hij het eeuwenlange en wijdverbreide Christendom in gebieden van de Eufraat en de Tigris; het huidige Irak, Turkije en Syrië. We keren teug naar ons onderwerp. Meerdere Bijbeluitleggers verbinden Pinksteren met de profeet Ezechiël. De ongeveer 400 jaar latere profetie van Joël voegt er een nieuwe dimensie aan toe. Behalve de profetie over de uitstorting van de Heilige Geest, trekt Joël de profetie door tot in de eindtijd.

“Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. En het zal geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Here gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Here zal roepen.”

Joel 2:30-32

Pinksteren met de uitstorting van de Heilige Geest staat niet op zichzelf. Het past in een breder kader. Pinksteren is een verdere ontwikkeling van Gods heilsplan met Israël en van daaruit met de Gemeente van Christus. Pinksteren wordt vaak gezien als de geboortedag van de Gemeente. En dat is het ook, maar we moeten niet vergeten, dat het Pinksterfeest allereerst een Joods feest was. De Gemeente, die op de Pinksterdag geboren werd, was een Joodse Gemeente. In zijn Messiaans Joods Manifest laat David Stern zien, dat de heidenen (d.w.z. de niet-Joden) rond het jaar 50 in de Gemeente begonnen te komen. Rond het jaar 350 zijn er meer niet-Joden in de Gemeente dan Joden. Met dit al mogen we niet vergeten, dat God Zich aan Israël heeft geopenbaard. De God, die aan Mozes verscheen, de God, die Zich op de Pinksterdag aan de discipelen openbaarde niemand anders is, dan de God van Abraham, Isaak en Jacob. Toen het gebeurde was Mozes alleen; toen het op de Pinksterdag gebeurde was een grote menigte er getuige van. God openbaarde Zijn aanwezigheid in het geluid als van een geweldige windvlaag en als vlammen van vuur. De ontwikkeling van Gods heilsplan omspant de eeuwen. Als we ons beperken tot Handelingen 2 zijn het geluid van de windvlaag en de tongen als van vuur bizarre verschijnselen. We begrijpen ze pas, als we ze zien in het Bijbels verband. Met de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag is de profetie van Joël niet uitgeput. Er gaat nog meer gebeuren. De God, die Zich openbaart in wind en vuur is Dezelfde nu.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Olijfberg

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Wat staat gij daar en ziet op naar de hemel?”

Handelingen 1:11

Schriftlezing

“Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zei Hij) van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze. Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? Hij zei tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen. Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan.”

Handelingen 1:1-12

Boodschap

Op de dag, die wij als de Hemelvaartsdag kennen, stonden de discipelen als aan de grondgenageld toen ze zagen, dat de Here Jezus voor hun ogen in een wolk werd opgenomen. Zolang ze konden staarden ze hem gefascineerd na. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Maar wie wel? Ze waren samen met de Here Jezus deze kleine berg beklommen, die 100 meter boven Jeruzalem uitstak. Maar ze hadden geen idee, wat ze zouden gaan beleven.

De Olijfberg. Deze berg werd het toneel van een uitzonderlijke gebeurtenis. Die betekenis wordt nog steeds schromelijk onderschat. Deze gebeurtenis was en is meer dan wereldgeschiedenis, het is heilsgeschiedenis. Voordat de Here Jezus opvoer hadden de discipelen nog aan Hem gevraagd, of Hij nog in hun tijd het koningschap over Israël zou herstellen. Hij had toch 40 dagen lang met hen over de dingen van het Koninkrijk gesproken! Was het dan nu zover? En toen kregen ze een teleurstellend antwoord. Daar moeten jullie niet naar vragen. Hadden ze het dan helemaal mis? Hadden ze dan in al die 40 dagen niets geleerd? Zaten ze er dan helemaal naast? Jezus had toch al die tijd over het Koninkrijk gesproken. Hun vraag was toch logisch! Zij waren bezig met de geschiedenis van Israël. Net als zij, moeten wij ook iedere keer weer ontdekken, dat wij ook niet altijd een bevredigend antwoord op onze logische vragen krijgen. Vaak komt er dan heel iets anders. Zo was het ook bij de discipelen. Maar we blijven toch even bij de verwachting van dat Koninkrijk. De Here Jezus zei niet, hoe komen jullie erbij? Wat een domme vraag. Nee, natuurlijk komt dat Koninkrijk er, maar dit is niet het moment. Er moet eerst een ander, wereldomvattend historisch feit plaatsvinden. Het is niet maar vaderlandse geschiedenis voor Israël, het is wereldgeschiedenis. Op de Hemelvaartsdag kreeg de Olijfberg een kapitale rol in de wereldgeschiedenis. Maar dat werd niet begrepen. De hemelvaart vond vanaf hier plaats. Met stomheid geslagen zagen ze het gebeuren. Ze waren zo geboeid door dit schouwspel, dat ze twee mannen, die zich bij het gezelschap hadden gevoegd, blijkbaar niet eens hadden opgemerkt. Wie waren dat? Wat zei die ene? “Wat staan jullie daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.” En wat gebeurt er dan in de hemel?

Weten we dat? Ja! Al 1000 jaar voor Christus. Hemelvaart heeft alles met Israël te maken. In principe is het een Joods feest;. Het is geen uitvinding van de kerk. Maar zij mag er sinds de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag in delen.

“Aldus luidt het Woord des Heren tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. De Here strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers te midden van uw vijanden. Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op. De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. De Here is aan uw rechterhand. Hij verplettert koningen ten dage van zijn toorn.”

Psalm 110:1-5

De wereldgeschiedenis heeft te maken met de tijd. Gods heilsplan overstijgt de tijd. Dat wordt niet begrepen. In voortschrijdende openbaring kon de profeet Zacharia bijna 500 jaar later zeggen:

“Zie, er komt een dag voor de Here, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de Here, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem.”

Zacharia 14:1-5

Dat slaat op de Wederkomst van Christus. Wat betekent Hemelvaartsdag? Hangt die dag ergens mee samen? Ja zeker, met de vervulling van de profetie. In de periode tussen Pasen en Hemelvaart moet de prediking over het Koninkrijk gaan, dat komt. Hemelvaartsdag is de dag van Zijn kroning. Dat is pas feest. Daar is Koninginnedag niets bij. Maar het wordt niet gevierd. Hoe komt dat? De mensen zien het niet. Tot nu is Satan nog de Overste van deze wereld. En wat doet hij?

“Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw (en dat is Satan) met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.”

2 Corinthiërs 4:3-4

Door prediking en bijbelstudie leren we de samenhang van de heilsfeiten ontdekken. Hemelvaart is heilsgeschiedenis. En daar gaat het om, niet maar om een vrije dag in 2009. Want:

“Jezus Christus, (is) de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde. Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed – en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt – Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden!”

Openbaring 1:5-6

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Herdenken

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.”

Psalm 77:12

Schriftlezing

“Een psalm van Asaf. Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, opdat Hij zijn oor tot mij neige. Ten dage mijner benauwdheid zoek ik de Here, des nachts is mijn hand uitgestrekt en zij wordt niet moede, mijn ziel weigert zich te laten troosten. Denk ik aan God, dan kreun ik; peins ik, dan versmacht mijn geest. Sela. Gij houdt mijn ogen open, ik ben onrustig en kan niet spreken. Ik overdenk de dagen van ouds, de jaren van weleer; ik denk in de nacht aan mijn snarenspel, ik peins in mijn hart en mijn geest vorst na. Zal de Here dan voor altoos verstoten, en niet meer goedgunstig zijn? Neemt zijn goedertierenheid voor immer een einde, houdt de belofte op van geslacht tot geslacht? Vergeet God genadig te zijn, of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe? Sela. Daarom zeg ik: Dit krenkt mij, dat de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEREN gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God? “Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God?”

Lucas 24:13-35

Boodschap

Gedenken, dat is herdenken. Wat is er gebeurd? Afgelopen week hebben we hen, die vielen, herdacht. Wie waren zij? Vaak onbekend, ook wat ze in stilte deden. Daar werd niet over gesproken. Ze vonden zichzelf niet geweldig, maar het was ook gevaarlijk. Het gevaar lag op de loer. Ze waren vaak onbekend, vaak vergeten. Ze hebben geleden, gebeden, gestreden. Waarom deden ze dat? Voor de vrijheid. Om bevrijding van ons land. Wat hadden zij eraan? Ze hebben de hoogste prijs betaald, maar hebben niet in die vrijheid gedeeld. Wij zijn nu al meer dan 64 jaar vrij. Vrijheid begrijpen we pas als we weten, wat onderdrukking is. Dat kun je niet navertellen, de emotie van de bevrijding, de beleving van die ontlading, kun je niet overdragen. Voor wie het niet beleefd heeft, blijft het een verhaal. De oorlog en de bevrijding speelden zich af in de tijd. Daarover zijn vele dikke boeken geschreven. Na de oorlog zijn er al twee volle generaties opgegroeid. Een derde generatie komt er al aan. Ze hebben de angst, het gevaar, niet meegemaakt. Gelukkig! Voor hen is de vrijheid vanzelfsprekend.

Maar vrijheid is nooit vanzelfsprekend. Gods Woord leert ons, dat bevrijding wordt verkregen tegen de hoogste prijs. De geschiedenis bevestigt het keer op keer. Vrijheid wordt alleen verkregen door offer, vaak het hoogste offer: bloed. Als we hen vandaag herdenken, die voor onze vrijheid vielen, moeten we ook verder zien. We moeten heel zuinig zijn op de vrijheid, die zoveel bloed heeft gekost. Maar behalve, dat. Er ligt ook een diepere dimensie in. Er is een andere Onbekende, die geleden, gebeden en gestreden heeft voor onze bevrijding. Ook die bevrijding is realiteit geworden. Niet voor 64 jaar maar voor eeuwig. Bevrijd van de onderdrukking, van de macht van de Overste van deze wereld. Bevrijd, verlost van de macht van de zonde. Voor velen is die Bevrijder vaak een onbekende. Jezus Christus, de Zoon van God. Godzelf schreef daar één dik boek over: de Bijbel. Voor wie gelooft, wat HIJ daarin zegt, heeft Hij de Bevrijding van de macht van de zonde tot stand gebracht. Die macht is door Hem gebroken. Het betekent, dat we niet langer moeten zondigen, maar nog wel kunnen zondigen, en we doen het ook. We herdenken in grote dankbaarheid hen, die voor onze aardse en tijdelijke vrijheid vielen. Zij hebben de hoogste prijs betaald. De diepere dimensie daarvan is, dat Jezus Christus heeft geleden, gebeden en gestreden. HIJ heeft de allerhoogste prijs betaald. HIJ werd gekruisigd, is gestorven en begraven. Met Pasen herdachten wij, dat HIJ is opgestaan uit de doden. Dat is geen losse opmerking. Het grote belang voor ieder mens is, dat de opstanding van de gevallenen en de onze in Zijn Opstanding besloten ligt. Nu zijn er mensen, die niet in de Opstanding uit de dood geloven. Daarover schreef de apostel Paulus aan de Gemeente van Corinthe:

“Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. ”

1 Corinthiërs 15:12-19

Het gaat hier niet om de tijdelijke, maar om de eeuwige bevrijding. Wie gelooft wat Gods Woord daarover zegt, wordt niet alleen tijdens het aardse leven in maar voor eeuwig in de geestelijke vrijheid gezet. Daarom wordt de dood van de Here Jezus regelmatig herdacht. Wordt ook Zijn opstanding herdacht, maar dat helaas veel te weinig. HIJ is opgestaan, en als we Zijn Woord geloven, zullen ook wij eenmaal opstaan. Daarom:

“Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.”

Psalm 77:12

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Ziende blind

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden.”

Lucas 24:31

Schriftlezing

“En zie, twee van hen waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs, en zij spraken met elkander over al wat voorgevallen was. En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen medeging. Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden. Hij zei tot hen: Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan. Eén dan van hen, genaamd Kleopas, antwoordde en zeide tot Hem: Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is? En Hij zei tot hen: Wat dan? Zij zeiden tot Hem: Hetgeen geschied is met Jezus de Nazarener, een man, die een profeet was, machtig in werk en woord voor God en het ganse volk, en hoe Hem onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen en Hem gekruisigd hebben. Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is. Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons doen ontstellen: zij waren in de vroegte bij het graf geweest en hadden zijn lichaam niet gevonden en zijn toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd hadden, maar Hém hebben zij niet gezien. En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had. En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed, alsof Hij verder zou gaan. En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging binnen om bij hen te blijven. En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte. En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden. En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende? En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd, en dezen zeiden: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen. En zij verhaalden wat onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood.”

Lucas 24:13-35

Boodschap

Op de 12 km. lange weg naar huis sprake de Emmaüsgangers over alles wat er de afgelopen dagen was voorgevallen. En dat was nog al wat. Terwijl zij druk in gesprek waren was daar ineens een onbekende, die zich op de weg bij hen voegde. Hij ging dezelfde kant op. Zo liepen ze met zijn drieën verder. De onbekende wist blijkbaar niet wat er allemaal in Jeruzalem gebeurd was. Hij vroeg waar hebben jullie het over? Verbaasd bleven ze op de weg staan. Hoe is het mogelijk? Ze vroegen aan de vreemdeling of hij de enige in Jeruzalem was, die het niet wist. Iedereen had het er over. Nou, zeiden ze, wat er met Jezus de Nazarener gebeurd is. De vreemdeling vroeg, wat dan? Terwijl ze doorliepen, kreeg hij het hele verhaal te horen. Het hoge woord kwam er uit: we hadden gehoopt, dat hij Israël zou bevrijden. Maar onze leiders hebben hem ter dood laten brengen. Ook al was het drie dagen geleden, ze waren er nog altijd vol van. Ze hadden het nog steeds niet verwerkt. Ja, en dan gaat er ook nog een gerucht, dat Jezus uit de doden zou zijn opgestaan. Toen de vrouwen bij het graf kwamen, was het leeg en hij was nergens te bekennen. Ze zeiden, dat ze ook engelen gezien hadden.

Wat moet je nou met zo’n verhaal? Daar kun je toch niks mee. Dan blijkt die vreemdeling toch meer te weten, dan ze dachten. Hij herinnerde hen aan, wat de profeten allemaal over Jezus gezegd hadden. Hij ging helemaal terug tot Mozes. Hij zei hun, dat moesten jullie toch weten! Toen de vreemdeling met hen het Oude Testament doornam, konden ze alleen maar toegeven, dat het klopte. Maar bij de hele lange wandeling hadden ze niet door, wie er naast hen was komen lopen. Hun ogen waren bevangen; anders gezegd ze waren ziende blind. Ze waren zo gefixeerd op hun ontgoocheling; ze waren zo gefascineerd door wat ze nu hoorden, dat ze niet eens vroegen: wie bent u eigenlijk? Het ontbrak hun aan de nodige nuchterheid. Maar goed, ze waren bij hun huis aangekomen en de vreemdeling moest nog verder. Maar ze waren niet klaar met de zaak. Weet u, zeiden ze, het is al donker. Blijf maar bij ons, ze stonden er op, dat hij bij hen zou blijven eten. Maar de vreemdeling wilde verder. Zou u dat nou wel doen? Blijf toch bij ons. Nou vooruit dan. Toen ze eenmaal aan de maaltijd zaten, of lagen zoals ze het in het Oosten doen, nam de vreemdeling het brood en dankte ervoor. Toen hij het brood met hen deelde, zagen ze het ineens: HIJ is het zelf, Jezus. En weg was HIJ. Ze zagen Hem niet meer. Wat hebben we nu? Ze vielen van de ene verbazing in de andere. Ja, zeiden ze tegen elkaar, onderweg had ik een vreemd gevoel, maar ik wist niet wat het was. Ik kreeg het er van binnen warm van. Ze lieten er geen gras over groeien. Ze lieten het eten staan, geen tijd voor de afwas. Ze gingen gelijk de 12 km. weer terug. Eenmaal buiten, zagen ze Hem ook niet. Dit moesten de discipelen horen.

Wat was nu het probleem van Kleopas en zijn metgezel? Waarom zaten ze zo in de put? Waarom hadden ze geen hoop meer? Hun ogen waren bevangen. Ze zaten gevangen in een bepaald denken. Jezus verblindde hen niet. Ze waren zo gevangen in dat denken dat Hij er niet meer was. De bevrijding van Israël, zoals zij dachten, dat die zou gebeuren, klopte niet. Dat Jezus wel eens naast hen zou kunnen lopen, bestond al helemaal niet. Natuurlijk niet, HIJ was dood. Ze zagen het niet, begrepen het niet. Waarom niet? Ze hadden zich een bepaalde voorstelling van de toekomst gemaakt. Daar geloofden ze zo vast in, dat kon niet stuk. En het ging stuk. Ze waren ontredderd. Het doet me denken aan Duitse soldaten, die tegen alle verhalen van hun officieren in geloofden, dat ze oorlog hadden gewonnen. Toen ze ingesloten waren en nergens heen konden, stortte hun schijnwereld in. Ik zag ze op de grond tegen de muur zitten met hun hoofd tussen de knieën. Een aanblik om nooit te vergeten. Waarom? Omdat ze niet de waarheid geloofden, maar een valse voorstelling.

Waarom waren de Emmaüsgangers verbijsterd? Ze kenden het profetische Woord, maar ze geloofden het niet. Daardoor kregen ze een volkomen verkeerde kijk op de werkelijkheid. Hierin ligt voor ons een les. Velen geloven niet, dat Jezus, de Messias, bij Zijn wederkomst in heerlijkheid Zijn eeuwig Koninkrijk zal oprichten. Bij de verslaggeving van de zendingsreis van de apostel Paulus aan de Gemeente van Jeruzalem wees hij op het profetische woord. Als de Gemeente van Christus op aarde voltallig is, gebeurt het:

“Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.”

Handelingen 15:16-18

God heeft beloofd, dat het koningshuis van koning David eeuwig zal bestaan; het zal hersteld worden. Langs de menselijke lijn stamt Jezus van Nazareth af van koning David. HIJ is Gods koning op de troon van koning David. Alle eeuwen door hebben de profeten voorzegd, dat dit Koninkrijk er komt. Die profetieën zijn nooit herroepen. Ze zullen ook letterlijk in vervulling gaan. De profeet Daniël profeteerde voor de eindtijd met de tien koningen:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid.”

Daniel 2:44

Vele eeuwen later sloot de apostel Johannes hier op aan:

“En de tien horens, die gij zaagt, zijn tien koningen, die nog geen koningschap hebben ontvangen, maar één uur ontvangen zij macht als koningen, met het beest. Dezen zijn één van zin en geven hun kracht en macht aan het beest. Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen – want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen – en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen.”

Openbaring 17:12-14

Dit roept natuurlijk veel vragen op. Hoe zal dit allemaal gaan? We zijn net als de Emmaüsgangers. We hebben zo onze voorstelling van de toekomst. Net als zij, hebben wij de neiging om te speculeren. Van hen kunnen we leren, dat we dat niet moeten doen. Dan komen we verkeerd uit. De vraag is of we geloven wat het Wood zegt, ook al krijgen wij het niet op een rijtje. Zouden we dat niet aan God overlaten? Als we daar een eigen invulling aangeven, zijn we ziende blind. Een ding staat vast: Gods eeuwige Koninkrijk komt!

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Het Koninkrijk – Deel 1

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken.”

Kronieken 29:11-12

Schriftlezing

“Daarop zei koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap, en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de Here God. Daarom heb ik, zoveel ik vermocht, gereedgelegd voor het huis van mijn God: goud voor de gouden, zilver voor de zilveren, koper voor de koperen, ijzer voor de ijzeren, hout voor de houten voorwerpen, chrysoprasen en vulstenen, zwarte en kleurige stenen, allerlei edelgesteente en wit marmer in menigte. Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God, van wat ik zelf aan goud en zilver bezit, aan het huis van mijn God, behalve wat ik voor het heiligdom heb gereedgelegd: drieduizend talenten goud, goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de muren der gebouwen te overtrekken; goud voor de gouden en zilver voor de zilveren voorwerpen, en voor alles wat door de handwerkslieden wordt gemaakt. Wie verklaart zich nu bereid, om heden de Here zijn gave te schenken? Toen verklaarden zich daartoe bereid de oversten der families, de oversten van Israëls stammen, de oversten over duizend en honderd en de oversten over het werk van de koning; zij gaven voor de dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend darieken; tienduizend talenten zilver; achttienduizend talenten koper en honderdduizend talenten ijzer. Wie edelstenen bij zich had, gaf die, voor de schat van het huis des Heren, in handen van de Gersoniet Jechiël. Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de Here; ook koning David verheugde zich met grote vreugde. Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zei: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken. Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam. Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand.”

Kronieken 29:1-14

Boodschap

Na Zijn Opstanding sprak de Here Jezus 40 dagen lang met Zijn discipelen over het Koninkrijk Gods. Over het Gods Koninkrijk en koningschap valt veel te zeggen. Het gedeelte, dat we gelezen hebben is nogal moeilijk. Maar het is zeer de moeite waard om de inhoud ervan tot ons te laten doordringen. Wat betekent koninkrijk en koningschap, waar begon dit? Het kan hier alleen schematisch weergegeven worden. In Bijbels licht betekent “Koning” zoveel als soevereiniteit, bezitter van de hoogste macht. Daaraan is ieder mens volkomen gehoorzaamheid verschuldigd. Het gaat niet om democratie. Om dat duidelijk te maken, had God het volk Israël uitgekozen om dit aan de wereld te laten zien:

“Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.”

Deuteronomium 7:6

Aardse koninkrijken zijn er een afspiegeling van. Zo was het in de eeuwenlange geschiedenis van Israël. Israël was bedoeld als voorbeeld voor de natiën. Het volk Israël had niet God uitgekozen om koning over hem te zijn, maar God had Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Wat had God hiermee voor?

“Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.”

Jesaja 60:3

Door middel van het volk Israël wilde God Zich aan de volken bekendmaken. Waarom koos God het volk Israël? Omdat het beter was dan andere volken? Nee, maar omdat Hij het zo wilde. Maar het was met vallen en opstaan. Bij de Uittocht uit Egypte moest Mozes al Gods boodschap aan het volk overbrengen:

“Gij zijt immers een hardnekkig volk.”

Deuteronomium 9:6

In het eerste Bijbelboek Genesis worden al veel koningen genoemd, maar Israël had geen koning. Eindelijk wilde Israël zelf ook een koning hebben.

“De Here zei tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.”

1 Samuel 8:7

God was dus de Koning van Israël, maar daar had het volk kennelijk niet genoeg aan. Op enkele uitzonderingen na blijkt, dat door heel de geschiedenis van Israël heen, het steeds weer misging. En toch komt God tot Zijn doel. Ze dienden God wel, maar meestal op de manier, zoals andere volken hun goden dienden. Ze waren God niet vergeten, maar deden niet wat Hij gezegd had en waartoe zij zich vrijwillig hadden verbonden. Naast God dienden ze andere goden aan wie zelfs mensenoffers gebracht werden. Zo hadden ze een godsdienst uitgezocht, die meer aansloot bij de eisen van de tijd. Hoe doen wij dat vandaag? Misschien hebben we God niet vergeten, maar hebben we er een en ander meer van eigen ontwerp of keus bij, dat meer aansluit bij deze tijd.

In de tijd van koning David was Israël een machtig rijk geworden. Het absolute hoogtepunt van dit koninkrijk zou de bouw van de Tempel worden. Dat zou koning Salomo gaan doen. Hoewel de hele wereld met bewondering, misschien wel met afgunst, naar Israël keek, lag de nadruk niet op de aardse heerlijkheid en macht van de koning. God stond centraal. In zijn gebed zei David:

“Van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11b

Hiermee erkende hij, dat niet hij de hoogste autoriteit was. Hij was onderkoning, en dat zou Salomo ook zijn. Door alle menselijke gebrokenheid heen, komt God tot Zijn doel zowel met Israël als met ons. Israël is een volk, net als alle andere. Er is één verschil: God heeft dat volk uitgekozen om zich aan de wereld bekend te maken. Waarom koos Hij dat volk? Het had elk ander volk kunnen zijn. Dan wordt de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament. In het bekende “Onze Vader- gebed” leerde de Here Jezus Zijn discipelen bidden:

“Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Mattheüs 6:13

Het gaat niet alleen om het aardse koninkrijk naar Gods model, maar dat correspondeert met het hemels koninkrijk: “Uw wil geschiede in de hemel alsook op de aarde,” leert het Onze Vader. Het gaat om dat ene Koninkrijk Gods zowel op aarde als in de hemel. En zo gaat het gebeuren. Er zijn Bijbelverklaarders, die het komende Koninkrijk niet letterlijk maar geestelijk opvatten. De profeet Daniël profeteerde iets anders. Als de tijd voor de tien koningen van de eindtijd voorbij is, luidt de nog niet vervulde profetie:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar.”

Daniel 2:44-45

Na Zijn Opstanding zal door de uitleg van de Oudtestamentische profetieën aan de discipelen veel voor hen duidelijker zijn geworden. Dat volmaakte aardse Koninkrijk komt er alsnog. Tijdens een latere ledenvergadering in Jeruzalem trok de apostel Paulus de profetische lijn verder door. De Gemeente in Jeruzalem kreeg te horen:

“En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.”

Handelingen 15:15-18

Het is nog niet gebeurd, maar het koningshuis van David zal letterlijk hersteld worden. Dat letterlijke herstel zal volkomen geestelijk zijn, want:

“Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.”

Kronieken 29:11

Want:

“Van U is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.”

Mattheüs 6:13

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Het Koninkrijk

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft.”

Handelingen 1:3

Schriftlezing

“Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze. Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.”

Handelingen 1:1-8

Boodschap

De Schriftlezing is maar kort. Maar er staat iets in, dat erg belangrijk is en waar we makkelijk overheen lezen. Daar kom ik straks op terug. Op de eerste Paasdag vielen de discipelen van de ene verbazing in de andere. Voor zijn arrestatie had de Here Jezus uitspraken gedaan, die ze toen niet begrepen. Lijden en sterven en na drie dagen opstaan uit de doden… Wat moesten ze zich daarbij voorstellen? Toen het gebeurde hebben ze het met diepe emotie, soms met vertwijfeling, allemaal zien gebeuren. Denk maar aan Thomas. Toen de Here Jezus op Paasavond aan de discipelen verscheen, was hij er niet. De volgende Zondag, toen de Here Jezus weer verscheen was hij er wel. Na Zijn Opstanding vielen een aantal stukjes van de legpuzzel op hun plaats. Maar ze waren er nog niet. In het bijzijn van de andere discipelen kreeg Thomas een gezegende ontmoeting met Jezus, maar het was wel pijnlijk. Ik denk, dat Petrus toen maar even niets heeft gezegd… Maar waar ging het gesprek verder over? De Here Jezus zal toch niet alleen maar met Thomas gesproken hebben en verder niets gezegd hebben! Tussen haakjes, hoe zou u het vinden, als er plotseling iemand midden in de huiskamer stond. Hij had niet gebeld, had geen sleutel, en de deur zat op slot? De buitendeur bleef dicht. Ook de kamerdeur ging niet open. En daar stond Hij. Over emotie gesproken. In de tekst waar we over nadenken staat, dat de Here Jezus na Zijn Opstanding 40 dagen lang met de discipelen over het Koninkrijk Gods gesproken heeft. Misschien is Hij er die avond gelijk mee begonnen. We weten het niet. Was daar dan zoveel over te vertellen? In bijna 6 weken kan er heel wat gezegd worden. Maar van die gesprekken werd geen verslag gemaakt. Dat was ook niet nodig. Het Oude Testament staat vol met profetieën over het Koninkrijk. Het is zonneklaar, dat de Here Jezus daar nader tekst en uitleg over gegeven heeft. Toen Israël, pas bevrijd uit Egypte in de woestijn Sinaï aankwam, liet God het volk weten:

“En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.”

Exodus 19:6

Koning David profeteerde:

“Want het koninkrijk is des Heren, Hij is heerser over de volken.”

Psalm 22:29

In zijn boek werkt de profeet Daniël het allemaal verder uit:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid.”

Daniel 2:44

Vanaf Exodus tot Haggaï, wordt dit thema in het hele Oude Testament aangetroffen. In het Nieuwe Testament wordt die lijn tot in het Boek Openbaring voortgezet. Hoewel de Bijbel er steeds verder over uitweidt, blijven er voor ons ook genoeg vragen over. Een ding is zeker, het is er en de dag komt, dat het voor ieder zichtbaar zal zijn. Misschien zou het goed zijn, als we meer aandacht aan dit onderwerp zouden besteden. We zijn zo druk bezig met talloze dingen, dat we het Koninkrijk makkelijk vergeten. Net als het volk Israël zijn er ook vandaag mensen, die zich allerlei voorstellingen van dit Koninkrijk maken. Bij Israël was het begrip zover verwijderd van wat God bedoelde, dat ze de koning van Israël, de Messias, niet herkenden toen Hij kwam. Ze verwierpen Hem en het Koninkrijk volgens Gods model. Vandaag is het niet anders. Theologen hebben naar eigen inzicht ontwerpen van het Koninkrijk gemaakt, zoals het volgens hen, zou moeten worden. Wat zij er ook van vinden, Gods Koninkrijk zal letterlijk op aarde aanwezig zijn. Israël had een verkeerde opvatting van het Koninkrijk. In navolging van Israël heeft de Kerk, de letterlijk bedoelde profetieën van het Koninkrijk vergeestelijkt. Dat Koninkrijk zou niet letterlijk bedoeld zijn, maar moest figuurlijk verstaan worden. Maar wat dat in de praktijk betekent, weet dan niemand. Als het aardse koninkrijk van de tien koningen uitgespeeld zal zijn, wordt het eeuwige Koninkrijk Gods openbaar:

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid.”

Daniel 2:44

Deze profetie is glashelder. Er bestaat geen enkele reden, waarom God deze profetie niet letterlijk in vervulling zal doen gaan. Hoe dat moet, weet ik niet. We moeten niet verdergaan, dan Gods Woord ons geeft. Speculeren is uit den boze. God zegt in Zijn Woord, dat het komt. Dan komt het ook. Op Zijn tijd, volgens Zijn ontwerp. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Onbegrepen

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Thomas zei tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?”

Johannes 14:5

Schriftlezing

“Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3 en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. Thomas zei tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. Filippus zei tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.”

Johannes 14:1-14

Boodschap

Onbegrepen. Hebt u dat soms ook? Dingen, die de Here Jezus heeft gezegd. Dingen die we niet begrijpen. Dingen waar we niets mee kunnen. Wat moet ik daar nu mee? Ik begrijp er niets van. U bent niet de enige, ook niet de eerste. De discipelen van Jezus hoorden uitspraken waarvan ze dachten, wat is dit nu? Misschien hebben ze elkaar veelbetekenend aangekeken. Ja, we geloven wel wat Hij zegt, ja toch? We volgen Hem, maar we begrijpen het dikwijls niet. Net als de discipelen zijn wij ook nog altijd in de leerschool van de Heilige Geest. Thomas zat er mee. Ook Filippus zat met vragen. Misschien zeiden ze wel wat de anderen dachten maar die het niet durfden zeggen. Voor Thomas was er geen twijfel om Jezus te volgen. Toen het rond de Opstanding van Lazarus voor Jezus echt gevaarlijk werd, zei hij zelfs:

“Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.”

Johannes 11:16

Als je niet echt in Jezus gelooft, zeg je zoiets niet. Maar het wil niet zeggen, dat je geen vragen kunt hebben. Toen Jezus sprak over Zijn lijden en sterven, ging het ook hun begrip te boven. En niet van hem alleen. Heengaan? Jezus heengaan? Waar heeft Hij het over? Heengaan, waarheen? Hij kon het niet voor zich houden en zei het ook hardop tegen Jezus.

“Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?”

Johannes 14:5

Als we het niet begrijpen, mogen we tegen Jezus zeggen: Heer ik begrijp hier niets van. Dan krijgen we ook antwoord. Tegen Thomas zei Hij:

“Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.”

Johannes 14:5-7

Ik denk, dat hij het toen nog niet begreep. Uitspraken, die blijven hangen. Die we later pas begrijpen. Maar nu even niet. Na alle schokkende gebeurtenissen zag Thomas het even niet meer zitten. Hoezeer hij ook betrokken was en zelfs tot het uiterste wilde gaan. Hij wilde zelfs zijn leven op het spel zetten. Maar nu was het hem teveel. De arrestatie, de verhoren, de hetze, de mishandelingen en uiteindelijk de kruisiging. Nee, Pasen was er voor hem niet bij. Opstanding? Jezus had het wel gezegd, maar hij kreeg het allemaal niet op een rijtje. Op de Paasavond was hij er niet bij. Jezus kwam daar, maar hij was er niet. Begrijpen we de reactie van Thomas? Ja. De discipelen waren er allemaal, hij niet. Later zeiden ze:

“Wij hebben de Here gezien! Maar hij zei: Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.”

Johannes 20:25

De volgende Zondag was hij er weer bij. En toen gebeurde het:

“Terwijl de deuren gesloten waren, en stond Jezus in hun midden en zei: Vrede zij u! Tegen Thomas zei Hij: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig. Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Here en mijn God!”

Johannes 20:26-28

Geen verwijt. Hij kreeg niet te horen: jij ongelovige Thomas. Ik had het toch gezegd! Thomas, kom hier, zie je ‘t, voel je’t?

“Thomas zei: Mijn Here en mijn God! Jezus zei: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.”

Johannes 20:28, 29

Toen was hij er weer helemaal bij. Het bracht Thomas tot aanbidding. Er zijn veel dingen, die wij niet begrijpen. Wij hebben niet gezien wat Thomas en de andere discipelen gehoord en gezien hebben. Maar we mogen het geloven. De Heer vraagt niet, of we het allemaal wel begrijpen. Hij verwacht van ons, dat wij geloven, wat Hij zegt. Geloven betekent twee dingen: vertrouwen en gehoorzamen. Geloven wat de Heer zegt, en doen wat Hij zegt. Laten we ons maar niet groter voordoen dan we zijn. Laten we maar eerlijk zijn. Wij zitten ook vaak met problemen, met duizend vragen. Dan zien we het ook niet zitten. Waar hou je je dan aan vast? Door de profeet Jesaja, liet God aan Israël weten:

“Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.”

Jesaja 55:8-9

Er is een lied, dat zingt: “Heer, ‘k Vertrouw U, Heer ‘k vertrouw U, wees Gij mijn Gids.” Het kan in het leven gaan over hoogten en door diepten. Als Hij onze Gids is, mogen we weten, dat Hij Zich niet vergist, ook al begrijpen wij het niet. Jan, Marie of hoe heet je? Wees niet ongelovig, maar gelovig.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

De Opstanding

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here.”

Romeinen 1:3-4

Schriftlezing

“Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften – aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here – door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen, tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus – aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.”

Romeinen 1:1-7

Boodschap

Het Schriftgedeelte, dat we hebben gelezen is erg kort. Maar het is daarom niet minder belangrijk, integendeel. Als dit alles was, wat we van de brief aan de Romeinen zouden bezitten, zou het meer dan voldoende zijn. Hier wordt de basis van het Christelijk geloof gelegd. Aan het begin van zijn brief aan de Romeinen legt de apostel Paulus dit fundament voor alles, wat hij aan hen schrijft. Alles hangt daar van af en hangt er mee samen. Het is maar niet een deftig begin, dat begint met een verheven uitspraak. Paulus maakt er geen literair hoogstandje van. De Opstanding van Jezus Christus uit de doden is het fundament van het Christelijk geloof. Valt dat weg, dan stort het Christendom in. Daarom is het Paasfeest zo belangrijk. Het behoort nog altijd tot de officiële feestdagen waarop iedereen in het land vrije dagen heeft. De vraag is, welke plaats dit heilsfeit in het leven van de gelovigen heeft. Vrije dagen en liefst mooi voorjaarsweer en dan er op uit. Op zich is daar niets is mee, maar waar gaat het in feite om? De Opstanding van Jezus Christus heeft een radicale wending aan de geschiedenis gegeven. Het heeft er enorm gespannen. Voordat Hij uit de doden opstond waren er dramatische gebeurtenissen aan vooraf gegaan. De komst van Jezus in deze wereld was de vervulling van een belofte aan het Joodse volk. Hij was de Christus, dat wil zeggen de beloofde Messias. Maar, en dat is heel triest, ze geloofden het niet. Hij beantwoordde niet aan de verwachting van de Joodse leiders. Zij hadden een beeld voor ogen, dat niet klopte met de werkelijkheid. Daaruit ontstonden grote problemen. Op allerlei manieren probeerden de leiders HEM te beschuldigen. Aan de hand daarvan konden ze bewijzen, dat Hij niet de Messias was. Maar dat lukte niet. Eindelijk was het zover, dat Hij gevangen werd genomen en voor de Joodse Raad moest verschijnen om Zich te verantwoorden. Van een eerlijk proces kan in ieder geval geen sprake zijn. De Evangelist Mattheüs schreef:

“De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden. Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen. En de hogepriester stond op en zei tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U? Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. Jezus zei tot hem: Gij hebt het gezegd.”

Mattheüs 26:59-64

Dat was nu precies wat ze altijd al hadden willen horen. De Zoon van de levende God. Dit was dé Godslastering bij uitstek, een doodzonde, waar de doodstraf op stond. De Hogepriester ging helemaal in de fout, toen hij als teken van rouw, zijn kleren scheurde. Dat was voor de Hogepriester strikt verboden. Maar daar had niemand het over. Maar de Joodse Raad had zijn zin, ze konden Hem nu laten executeren. Maar dit was niet het einde van het verhaal! Wat gebeurde er bij de Opstanding?

“Door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here.”

Romeinen 1:4

Eigenlijk hadden ze met Jezus van Nazareth definitief afgerekend. Tenminste, dat dachten ze. Is het vandaag voor velen niet precies hetzelfde? Velen hebben met Hem afgerekend, ze hebben Hem uit hun leven verbannen. Voorlopig is het rustig. Ja, voorlopig. Er is al eerder op gewezen, dat zelfs in de kerk wordt gehoord, dat God niet bestaat. Als God niet bestaat, kan Hij dus ook geen Zoon hebben. Dan kan Hij niet sterven aan het kruis op Golgotha, dan kan Hij op de Paasmorgen niet opstaan uit de doden. Wat is daarvan de logische consequentie? Wat zegt Gods woord daar over?

“En indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.”

1 Korintiërs 15:17-18

Dan is alles verloren. Maar het is gelukkig niet zo. Aan de andere kant wordt we overspoeld met reclames op de televisie, in kranten en folders van alles wat met Pasen toch vooral moeten eten, kopen en uitgaan om het, ja tot wat te maken? In deze tijd van crisis, van toenemende werkeloosheid, noem maar op, is het toch goed om even te onderbreken. En dat is zo. Maar daar is het geen Pasen voor. O ja, iemand heeft bedacht, dat we toch eigenlijk elkaar weer Paaskaarten moeten gaan sturen. Waarom? Kassa! Pasen is overal goed voor, als het maar geld oplevert. Maar over de Opstanding is het oorverdovend stil. Er is immers met Jezus van Nazareth afgerekend, denkt men. We leven in de eindtijd. Eens maakte de Here Jezus een opmerking over die tijd, Hij zei:

“Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”

Lucas 18:8

In sommige vertalingen staat of Hij dan nog geloof op aarde zal vinden. Wat dat betreft hebben we niet te klagen. De wereld krioelt van geloof in alle soorten en maten. Maar het gaat om het Bijbels geloof. En hoe staat het er vandaag bij? In veel gevallen is het Christelijk geloof gereduceerd tot een cultureel verschijnsel. De vorm is overgebleven, de inhoud is verdwenen. Zoals eerder in de overdenkingen is aangegeven, het wordt hoog tijd, dat de gelovigen, de Christenen, op de knieën gaan. De Christen, die nadenkt over wat zich vandaag in de samenleving afspeelt, kan hier alleen maar voor gaan bidden. We kunnen de omstandigheden niet naar onze hand zetten. Wat dat betreft zij we machteloos. Maar er wordt veel te weinig gebruik gemaakt van het wapen, dat de gelovige heeft. Maken we er gebruik van of ligt het te roesten bij onze geestelijke wapenrusting? Op alle mogelijke manieren wordt geprobeerd mensen met het Evangelie te bereiken. Cursussen, workshops, seminars, toeters en bellen. Hier en daar wordt misschien iemand gewonnen. Hoeveel hypes zijn er in de loop der jaren al gepasseerd. En wat heeft het gebracht? Het probleem is, dat met veel inzet alles uit de kast gehaald wordt, maar het moet vooral zonder eelt op de knieën. En dat werkt niet. Dat heeft nog nooit gewerkt. Vandaag is het Paasmorgen, de Opstanding van de Levensvorst. Hij zonderde hele nachten af voor gebed. Als Hij dat nodig vond, wat doen wij dan? Zou het niet goed zijn om onze dagindeling te veranderen en ruimte te maken voor gebed? Dan kan het echt Pasen worden, als de Opstandingskracht doorbreekt in de levens van Gods kinderen. Daar moet het beginnen. Opwekking begint niet in de wereld, maar in Gods Huis. Als het daar niet verandert, is er voor de wereld geen hoop. Dan staat Pasen wel op de kalender, maar de Opgestane Heer, Gods Zoon, Jezus Christus blijft de grote afwezige. Het kan anders, dan moet het anders. Zo leert Gods Woord het in het Oude en in het Nieuwe Testament. De Kerkgeschiedenis staat er vol van. Daarom: op de knieën in gebed, totdat God antwoordt. En HIJ doet het.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Noodkreet

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:9

Schriftlezing

“De Israëlieten vergrepen zich evenwel aan het gebannene, doordat Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, iets wegnam van het gebannene. Toen ontbrandde de toorn des Heren tegen de Israëlieten. Jozua nu zond mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, oostelijk van Betel, en zei tot hen: Trekt op en verkent het land. Toen trokken die mannen op en verkenden Ai. Daarop kwamen zij tot Jozua terug en zeiden tot hem: Het gehele volk behoeft niet op te trekken, laten ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; vermoei niet het gehele volk door een tocht daarheen, want zij zijn daar weinig talrijk. Zo trokken van het volk ongeveer drieduizend man daarheen; zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht. Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water. En Jozua scheurde zijn klederen en wierp zich op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heren tot aan de avond, hij en de oudsten van Israël, terwijl zij zich stof op het hoofd strooiden. En Jozua zei: Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen? Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. IK zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:1-12

“Toen liet Jozua des morgens vroeg Israël volgens zijn stammen aantreden, en de stam Juda werd aangewezen. Toen hij de geslachten van Juda liet aantreden, wees Hij het geslacht der Zarchieten aan, en toen hij het geslacht der Zarchieten liet aantreden, man voor man, werd Zabdi aangewezen. Toen hij diens familie liet aantreden man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach uit de stam Juda. En Jozua zei tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de Here, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis; vertel mij toch wat gij gedaan hebt, verberg het niet voor mij. Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik ben het, die gezondigd heeft tegen de Here, de God van Israël, want zo en zo heb ik gehandeld: ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan. Toen zond Jozua boden, die zich naar de tent spoedden, en zie: het was in zijn tent verborgen, het zilver onderaan; en zij haalden het uit de tent, brachten het bij Jozua en al de Israëlieten, en stortten het uit voor het aangezicht des Heren. Daarop nam Jozua, tezamen met geheel Israël, Achan, de zoon van Zerach, en het zilver, de mantel en de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en kleinvee, zijn tent en al wat hem toebehoorde, en zij voerden hen naar het dal Achor. En Jozua zei: Zoals gij ons in het ongeluk hebt gestort, zal de Here u op deze dag in het ongeluk storten. Toen stenigde heel Israël hem, en men verbrandde hen met vuur, en wierp stenen op hen.”

Jozua 7:16-26

Boodschap

Het Oude Testament bevat leerzame lessen voor het geestelijk leven voor de gelovige. In onze geïndividualiseerde samenleving moeten we goed opletten, dat de gelovige deel van een geloofsgemeenschap uitmaakt. We hebben een persoonlijke maar ook collectieve verantwoordelijkheid. Het gaat niet maar om het “ikke,” voor gelovigen gaat het ook om het “ons.” Dit principe komt heel duidelijk in dit hoofdstuk naar voren. Voor de inname van Jericho had God duidelijke instructies aan Israël gegeven. Van de oorlogsbuit mochten zij niets voor zichzelf houden. Maar Achan kon de verleiding niet weerstaan kostbare voorwerpen zijn tent binnen te smokkelen en daar te begraven. Hiermee maakte hij een geweldige kortsluiting, die aan 36 Israëlieten het leven kostte. Het ging niet slechts om zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, maar het raakte heel het volk. Hij heeft niet bij de collectieve verantwoordelijkheid stilgestaan. In ons moderne denken hebben we daar wel moeite mee. De gelovige moet kiezen of hij vindt dat het wel kan, of dat hij aan Gods Woord gehoorzaam moet zijn. Dit principe staat voor de gelovige ook vandaag nog altijd recht overeind. Het gevolg van zijn diefstal stortte Israël in de ellende. Jozua, die nu pas de nieuwe leider geworden was, zat in zak en as. Vandaag zeggen we: hij zag het niet meer zitten. Hij zag de totale nederlaag van Israël op zich afkomen. Zij noodkreet was dan ook:

“Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?”

Jozua 7:7-9

Het begon zo goed, maar nu was alles verkeken. Wat was er aan de hand? God liet hem niet op het antwoord wachten:

“Toen zei de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.”

Jozua 7:10-12

Met andere woorden zei God: Stel je niet zo aan, Israël, (het collectief) heeft het gebod overtreden. Als je dit niet oplost, kun je het vergeten. Ik ga niet verder met jullie. Daarop liet Jozua het volk aantreden en werd uitgezocht, wie dit op zijn geweten had. Het bleek Achan te zijn. Het van God gestolen goed werd in zijn tent gevonden en hij bekende. Dan volgt er voor ons moderne denken opnieuw een hersenbreker. Achan werd met alles wat hij had, vrouw en kinderen, zijn vee, zijn tent en de gestolen goederen, gestenigd en alles werd daarna met vuur verbrand. Laten we maar eerlijk zijn, hier kunnen wij geen weg mee. Wat konden zijn vrouw en kinderen er aan doen? Wij vinden, dat dit niet kan. Maar God vond dat het zo moest. Dan komt de vraag naar boven, kennen wij God eigenlijk wel? Welk beeld hebben van HEM? Willen wij bepalen hoe God moet zijn, wat Hij wel of niet moet doen? Ik denk, dat hier ons probleem zit.

God zei ooit, laat Ons mensen maken. We leven in een wereld, waar de mensen hun eigen god of goden maken. Hij moet zijn en doen, zoals wij willen. Maar zo werkt het niet. Om het eens ouderwets te zeggen: wat ons ontbreekt is de vreze des Heren. Dan heb ik het niet over de God met het vingertje. Dat is tekort door de bocht. Met deze uitdrukking wordt bedoeld het diepe respect voor God. Zijn wij van plan om voor Hem te buigen, voor wat Hij zegt en doet, ook al begrijpen we het niet? Op dit punt hebben we nog veel huiswerk te doen. Hoe staat het met onze collectieve verantwoordelijkheid tegenover mede christenen? Gelovigen moeten niet denken, niemand weet hier iets van, zelfs mijn eigen vrouw niet. Creatief zakendoen, dingetjes regelen. Geen haan, die er naar kraait. Zou dit een reden kunnen zijn, dat gelovigen niet serieus worden genomen? We laden toch alstublieft geen collectieve schuld op onze geloofsgemeenschap! Denken we er wel eens over na, hoe het toch zou komen, dat het allemaal zo moeilijk of slecht in kerk en gemeente gaat?

Ligt er collectieve schuld waar de ander niet van weet? Schuld, die Gods zegen tegenhoudt? De situatie van Jozua was bedreigend. Is onze situatie dat ook niet? We moeten niet wegkruipen achter het argument, dat de tijden veranderd zijn. Dit is onzin. De tijd doet het niet, de mensen doen het en ze zijn er verantwoordelijk voor. Wij zijn verantwoordelijk. De wereld lacht om ons, collectief. Op alle mogelijke manieren proberen we mensen met het Evangelie te bereiken, maar we moeten er geen eelt van op onze knieën krijgen. Dat vooral niet. In het algemeen is het probleem, er wordt niet volhardend, aanhoudend gebeden. Verder hoeven we niet te zoeken. Misschien is er een bidstond, Van het woord “stonde.” Dat is een uur. Er wordt gezongen, er wordt gelezen, er worden ervaringen uitgewisseld. Daar is niets mis mee. Maar het moet allemaal binnen dat uur.

Hoeveel tijd blijft er dan over voor het gebed? Als we er echt de tijd voor nemen om God te vragen, waarom de dingen gaan zoals ze gaan, zal Hij niet wachten om ons te laten weten, wat er aan de hand is. De ban moet uit ons midden verwijderd worden. Zijn er verborgen zaken, die het geestelijk leven persoonlijk en in de gemeente blokkeren? Intussen begrijpt niemand waarom het allemaal zo moeizaam gaat. Er moet schoon schip gemaakt worden. Daarbij hoeven vandaag geen doden te vallen, hoogstens gezichtsverlies. Als de (verborgen) struikelblokken opgeruimd worden, komen er stromen van zegen. Waar wachten we op? Geen gepraat, geen diplomatie, geen gepolder: op de knieën! Als we dan bidden: “En wat zult u dan voor uw grote Naam doen?” krijgen we het antwoord.

Amen.

~Dr. K. van Berghem

Het Boek

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

“De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.”

Lucas 4:18-19

Schriftlezing

“Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.”

Jesaja 60:1-3

“De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heren en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des Heren, tot zijn verheerlijking.”

Jesaja 61:1-3

“Jezus nu, vol van de heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn, waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel. En Hij at niets in die dagen en toen zij voorbij waren, kreeg Hij honger. En de duivel zei tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan tot deze steen, dat hij brood worde. En Jezus antwoordde hem: Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven. En hij voerde Hem op een hoogte en toonde Hem al de koninkrijken der wereld in een ogenblik tijds. En de duivel zei tot Hem: U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil. Indien Gij mij dan aanbidt, zal zij geheel van U zijn. En Jezus antwoordde en zei tot hem: Er staat geschreven: Gij zult de Here, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen. En hij leidde Hem naar Jeruzalem en stelde Hem op de rand van het dak des tempels en hij zei tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan vanhier naar beneden; want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u om u te behoeden, en: Op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot. En Jezus antwoordde en zei tot hem: Er is gezegd: Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken. En toen de duivel alle verzoeking ten einde had gebracht, week hij van Hem tot een bestemde tijd. En Jezus keerde in de kracht des Geestes terug naar Galilea. En de roep over Hem ging uit door de gehele streek. En Hij leerde in hun synagogen en werd door allen geprezen. En hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld.”

Lucas 4:1-21

Boodschap

Toen de Here Jezus het boek sloot en weglegde, zat iedereen in spanning: wat zullen we nu te horen krijgen. Hij zei, “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld.” Hiermee had Hij niet de hele profetie van Jesaja geciteerd. Er is hier sprake van tekstbreuk. Heeft Jezus Zich vergist? Nee. Hij stopte bij “het aangename jaar des Heren.” Het aangename jaar des Heren was aangebroken. Hij bood Israël bevrijding en genezing aan. De dag van de wraak, die Jesaja uitsprak, was niet voor dat moment. De Here Jezus nam dit niet over. De profetie van Jesaja blijft wel overeind, maar wat daarin voorzegd wordt, gebeurt niet allemaal tegelijk. Het is zelfs nu nog toekomst. Het zijn als het ware twee bergtoppen, die in elkaars verlengde liggen. De Alpinist, die de bergen beklimt kan de afstand tussen twee bergtoppen niet inschatten. Zo is het ook met de profetische bergtoppen. De afstand in de tijd, die er tussen de twee profetische bergtoppen ligt, werd niet gemeten. De Here Jezus zei, het is nu het aangename jaar des Heren, de bevrijding van hen die gevangen zijn. De Here Jezus kwam de gevangenis van de zonde, waarin de mensen verkeerden, openbreken. Het geldt ook nog altijd voor vandaag. Hoe velen zijn vandaag niet gevangen. Gevangen in verslaving, gevangen in zorgen, in ziekte, in economische crisis.

We zijn nu in de lijdensweken. Hier en daar is sprake van de 40-dagen periode. Maar laten we oppassen. Het gaat niet om het afwerken van een liturgie. In de lijdensweken wordt het lijden en sterven van de Here Jezus herdacht. Dat waar Hij doorheen moest om die bevrijding tot stand te brengen. Hij deed dat plaatsvervangend voor ons. In gedachten proberen we Hem op Zijn lijdensweg naar Gethsemane en Golgotha te volgen. Maar het is ons volslagen onmogelijk om het leed en het uiteindelijk offer, dat Hij bracht, te begrijpen of te peilen. We zijn niet met een vrome traditie bezig. In de praktijk van alle dag zijn we op weg van de ene profetische bergtop naar de andere. Het gericht komt, maar nu, hoort u!, is het nog altijd het aangename jaar des Heren.

Ook vandaag zet Jezus van Nazareth het kruis in de chaos van onze samenleving. Wij prediken Christus, de Gekruisigde, die de weg gebaand heeft, de uitweg uit de geestelijke verstikking. Ook dat is bevrijding, en hoe! De bergtocht tussen de twee bergtoppen is geen pretje. Wie Christen is, of wordt, laat daarmee niet alle problemen achter zich. Maar het verschil met de ongelovige is, dat hij er niet langer alleen voor staat. Er is uitzicht. Dit is niet het laatste, het is het voorlaatste. Nu we in een diepe crisis terechtgekomen zijn, zet dit ons temeer aan het denken. Het laat ons weer eens zien, hoe kwetsbaar we zijn. Het overkomt ons, en niemand kan er iets aan doen En zij, die het wel kunnen doen het niet. Aan de andere kant kan de situatie er toe leiden, dat mensen gaan nadenken. Er zijn nog altijd dingen, die belangrijker zijn dan geld, carrière en altijd meer. Op zich is er niets mis mee, als het mensen goed gaat. Dat ze geld verdienen en welvaart hebben. Maar het is niet verstandig, als we altijd bezig zijn met goede dingen, maar het beste verwaarlozen.

Men maakt zich eindeloos druk om aards bezit en welvaart, terwijl de eeuwige belangen verwaarloosd en vergeten worden. Iedereen is er op bedacht geen onnodige risico’s te lopen. We zijn immers zakelijk en nuchter ingesteld. Hoe is het risico van het levenseinde ingedekt? Niemand weet wanneer dat is. Hoe is het dan gesteld met de eeuwige waarden? Hoe staat het daarmee, als die niet gedekt zijn? Maken we ons daar ook zo druk over als over de beurskoers? We zijn toch nuchtere mensen. Wat is de waarde van ons aards bezit, als we het leven achter ons laten? Wat doe je daarmee in de eeuwigheid? In het laatste levensuur verliest dat alle waarde. We kunnen er niets van meenemen, en verzilveren kunnen we het niet. Dit is geen doemdenken maar nuchter denken en risico’s uitsluiten. Zitten we gevangen in zorgen van alle mogelijke aard? Zijn we gevangen in, noemt nu maar op! Dan is het tijd, misschien hoogtijd, over de eeuwige dingen na te denken. Het aangename jaar des Heren is, dat we bevrijd kunnen worden van alles wat ons belast. In laatste instantie komt het aan op de relatie, die we met God hebben. Is die er, of niet? En als die er is, hoe is die dan? Hoe staat het met het zondeprobleem, dat ieder in zijn leven heeft?

Veel mensen zijn zich niet bewust, dat ieder mens verantwoording af moet leggen voor zijn Schepper. Het gaat er om, dat dit risico gedekt is. Het moment om dat te doen, is altijd nu, niet morgen. Dat is zakelijk nuchter. Als u niet voor brand verzekerd bent en uw huis brandt af, kunt u dat risico bij geen enkele verzekering onderbrengen. Zo is het ook met de verbroken relatie tussen God en mens. Het kan nu hersteld worden, niet nadat iemand de laatste adem uitgeblazen heeft. Het probleem is hier heel erg zakelijk benaderd. Maar hier komt het in de praktijk op neer. Jezus ging de lijdensweg in onze plaats, zodat wij daarvan vrijgesteld zouden zijn. Ieder is vrij om het te geloven of niet. Niemand heeft om dit leven gevraagd. We zijn erin gezet. Het zondeprobleem was er lang voordat wij geboren waren. We zijn er mee besmet. Ook dat kunnen we niet helpen. Maar het is helemaal ieders eigen verantwoordelijkheid, als hij of zij het daarbij laat. Als Gods Woord hierop aanspreekt, is het op zijn minst verstandig er rekening mee te houden. De oplossing, die God geeft in Zijn Zoon Jezus Christus, is de enige uitweg. Op weg van de ene bergtop naar de andere in het dagelijks leven, zijn we nog in het aangename jaar des Heren. Het is beter om niet te wachten totdat ons boek dichtgaat.

Amen.

~Dr. K. van Berghem